🎧 Liever luisteren? Jolanda leest voor
Vrijdag 17 juli, tegen het middaguur. Op de oprit in Tilburg stond de Tesla al met alle deuren open, warm vanbinnen van de zon die er de hele ochtend op had gestaan, en achter de auto stond de caravan te wachten alsof hij ook zin had om te vertrekken. De lucht rook naar gemaaid gras, want de buurman had die ochtend zijn gazon nog gedaan, en ergens twee tuinen verderop siste een tuinslang over een border. Papa liep zijn laatste vaste rondje om de caravan, de routinecontrole die hij voor elk vertrek deed. Een duw tegen de zijkant van elke band. Een blik op de kentekenplaat. Een hand aan de stabilisatorstang. Hij knielde er even bij, drukte met zijn vlakke hand tegen de dissel, en kwam overeind met een knik die alleen voor hemzelf bedoeld leek.
"Hij staat recht," zei hij tegen niemand in het bijzonder, "en dat blijft zo tot Limburg an der Lahn."
Mama stond in de deuropening met een krat vol broodjes, appels en een thermoskan koffie die nog na-siste van het inschenken. Ze had haar haar in een staart gedaan die al een beetje scheef zat, en met haar voet hield ze de hordeur open zodat die niet dichtklapte.
"Tweehonderdtachtig kilometer," zei ze. "Dat redden we ruim voor het avondeten, ook met een tussenstop."
"En met wc-pauzes," zei Papa.
"Vooral met wc-pauzes," zei Mama, en zette de krat op de vloer van de achterbak.
Noud kwam de trap af met iets kleins en zwarts in zijn hand, ingeklikt in een plastic frame met een riempje eraan. Hij hield het omhoog alsof het een medaille was, de trap kraakte onder zijn voeten op de derde tree van boven, zoals hij al zijn hele leven deed.
"De actioncam!" riep hij. "Ik ga vlogs maken. Van de hele reis. Alles."
Het ding was gisteren pas uit de doos gekomen, een klein robuust cameraatje dat volgens de doos tegen vallen, regen en zelfs een duik in het water kon. Er zat nog een stukje beschermfolie op het schermpje dat hij vergeten was los te trekken, met daarop een sticker in de vorm van een duimpje omhoog. Noud had het aan zijn borst geklikt en filmde nu, met zijn kin een beetje omhoog, de trap, de gang, de voordeur en uiteindelijk zichzelf in de spiegel in de hal.
"Noudemans test, één, twee," zei hij ernstig tegen de spiegel, met de stem die hij anders alleen gebruikte als de meester in de klas iets belangrijks ging vertellen. "We vertrekken zo naar Duitsland."
"Volgens mij film je nu je eigen neusgaten," zei Ties, die net langsliep met een net vol strandballen dat tegen zijn knieën stuiterde.
Noud keek naar het schermpje. Zijn gezicht vulde het beeld helemaal, van kin tot voorhoofd, met op de achtergrond alleen een stukje plafond en de rand van de lamp.
"Verkeerde kant op," mompelde hij, en draaide het cameraatje om met een klikje van het scharniertje. Nu filmde hij de voordeur weer, gelukkig de goede kant op, en hij liep er drie passen achteruit voor heen om zeker te weten dat hij het huis er helemaal op kreeg.
Ties had zijn eigen missie. Hij sjouwde met een oude schoenendoos vol elastiekjes, een stuiterbal die af en toe tegen de zijkant van de doos tikte, drie stripboeken met omgekrulde hoeken en een zaklamp die het al een tijd niet meer deed maar die hij toch meenam "voor het geval dat". Hij had ook een plan getekend op een velletje geruit papier, een plattegrond van de camping die hij nog nooit had gezien, met een blauw streepje voor de rivier, een rondje voor de receptie en, iets te groot getekend in het midden, een cirkel om de plek waar volgens hem het zwembad zou liggen.
"Hoe weet jij nou waar het zwembad ligt," zei Noud, terwijl hij de camera op zijn broer richtte.
"Weet ik niet. Voel ik," zei Ties, en vouwde het papiertje in vieren voordat hij het in zijn broekzak propte. "Het zit altijd bij de ingang. Altijd."
"Vorig jaar zat het achteraan."
"Dat was een uitzondering," zei Ties, en liep door naar de auto met het gezicht van iemand die het gesprek als gewonnen beschouwde.
Roos was intussen op haar knieën bezig in de achterbak van de Tesla, tussen de tassen en de speelgoedkrat. Ze had de taak gekregen om de kussens goed te leggen zodat er niets zou schuiven, een taak die ze zeer serieus nam, met haar tong een stukje uit haar mond van concentratie. Ze duwde tegen elk kussen tot het precies paste, en telde daarbij zachtjes in zichzelf, één, twee, drie, alsof dat ergens bij hoorde. Onder een opgerolde markiestent, half weggestopt tussen een oude trui en een zak met wasknijpers, voelde ze iets hards.
"Mama! Ik heb iets gevonden!"
Mama kwam kijken, met haar handen nog vochtig van het inpakken van de broodjes. Roos hield een klein metalen kistje omhoog, niet groter dan een blikje limonade, met een deukje in het deksel en een kleur die ooit koper was geweest maar nu grotendeels grijsgroen zag van de tijd. Er zat geen slot op. Roos klapte het open, en het deksel piepte even, een dun metalen geluidje, als een deurtje dat lang niet open is geweest.
Binnenin lag een kompas. Een klein rond ding met een glazen kapje erop, licht bekrast, een naald die rood en wit was geverfd, en cijfers rond de rand die verweerd waren tot bijna onleesbaar. Op de bodem van het kistje stond niets, geen naam, geen jaartal, alleen een kras die eruitzag als een letter maar het net niet was, iets tussen een N en een V in.
"Waar komt dat vandaan?" vroeg Mama, die het kistje van Roos overnam en het ronddraaide in haar handen. Het metaal voelde koel aan, glad op de ene kant en ruw op de andere, waar de tijd zijn werk had gedaan.
"Van niemand," zei Roos tevreden, alsof dat de meest logische verklaring was.
Papa kwam er ook bij staan, veegde zijn handen af aan zijn spijkerbroek en pakte het kompas voorzichtig aan, met twee vingers, zoals je iets vasthoudt waarvan je niet zeker weet hoe oud het is. De naald draaide even, zocht, tikte tegen het glas, en ging toen stilstaan.
"Hij wijst gewoon naar het noorden," zei hij. "Zoals een kompas hoort te doen." Hij klonk een beetje teleurgesteld, alsof hij iets anders had verwacht, en tikte met zijn nagel tegen het glazen kapje om te kijken of de naald daarvan bewoog. Ze bewoog niet.
"Mag ik hem meenemen?" vroeg Roos. "Voor onderweg."
Niemand had er bezwaar tegen. Een oud kompas in een blikje nam tenslotte geen ruimte in, en Roos hield het al stevig tegen zich aan alsof de vraag eigenlijk overbodig was. Ze klom achterin, tussen Noud en Ties, met het kistje op schoot en de gordel eroverheen, en klikte het deksel nog twee keer open en dicht voordat de auto goed en wel stilstond op de oprit.
Even na twaalven stapte Papa in, controleerde de spiegels, liet zijn duim even over het stuur glijden zoals hij altijd deed bij het wegrijden, en reed langzaam de oprit af. Noud filmde het huis dat kleiner werd door de achterruit, de brievenbus, de border met de hortensia's van de buren, tot Mama zei dat hij misschien beter voorop kon letten, want anders werd de reis er niet leuker op.
De eerste kilometers gingen in stilte, de stilte van een gezin dat te vol zit van het vertrek om al iets te zeggen. Buiten gleed Tilburg voorbij, een terras waar mensen aan de lunch zaten, een fietser met een tas vol boodschappen aan het stuur, en daarna de ringweg met zijn regelmatige striping die onder de auto door bleef schuiven. Bij de oprit naar de snelweg zette Papa de muziek aan, de vaste lijst die ze elk jaar weer draaiden. Cheerio schalde door de speakers en binnen tien seconden zongen alle drie de kinderen mee, ook Roos, die de helft van de woorden verzon maar met evenveel overtuiging zong als de rest, haar stem net iets te hard voor de maat.
Na Cheerio kwam Thinking Out Loud, en Mama zong de hoge stukken met haar ogen dicht, wat ze altijd deed als ze het naar haar zin had, haar hoofd een beetje schuin tegen de hoofdsteun. Toen Mijn kleine presidentje begon, moest Ties per se voorin naar het scherm kijken om te zien hoeveel kilometer ze al hadden gereden, met zijn vinger tegen het glas.
"Tweeëntwintig," riep hij. "Nog tweehonderdachtenvijftig te gaan."
"Hoe weet jij dat zo precies," zei Noud.
"Rekenen," zei Ties, alsof dat de meest vanzelfsprekende zaak ter wereld was. "Tweehonderdtachtig min tweeëntwintig. Dat is niet moeilijk."
"Doe eens honderd kilometer," zei Noud.
"Nog honderdtachtig," zei Ties zonder aarzelen, en leunde tevreden achterover.
Ergens bij Waterdicht begon de wedstrijd die ze allebei stiekem al hadden gepland. Noud, met zijn Real Madrid-shirtje aan onder zijn jas, en Ties, in het Barcelona-shirt dat hij al drie dagen niet had uitgetrokken, spraken af wie er als eerste een koe zou spotten in Duitsland.
"De winnaar mag kiezen welk nummer we straks nog een keer draaien," zei Noud.
"Deal," zei Ties. "Maar dan tel ik ook paarden mee."
"Nee. Koeien zijn koeien."
"En schapen?"
"Ties."
"Oké, oké. Alleen koeien," zei Ties, en drukte zijn neus tegen het zijraam om niets te missen.
Roos, tussen hen in, hield het kompasje stevig vast, met beide handen om het kistje alsof het kon wegglippen. Ze merkte niet meteen dat het kistje warmer aanvoelde dan de rest van haar spullen, ergens rond de grens bij Elten, toen de eerste Duitse borden voorbijkwamen, groen met witte letters, anders dan de blauwe thuis. Ze legde haar duim er even op, trok hem weer terug, en legde hem weer terug.
"Voelt warm," mompelde ze, meer tegen zichzelf dan tegen iemand anders.
Ze zei er verder niets over. Het was vast van de zon, die op dat moment recht door het raam scheen en een streep licht over haar knieën legde. Ze schoof het kistje een stukje opzij, uit de zon, en keek naar buiten naar de eerste Duitse tankstations die voorbijschoten, met hun rode en gele letters die anders waren dan thuis.
Bij Hilden, een dik uur verder Duitsland in, stopten ze bij een groot laadstation, rijen laadpalen onder een overkapping van golfplaat waar de regen op zou kletteren als het regende, met naast het parkeerterrein een bakkerij met een blauw met wit bord. Seed & Greet, stond erop, in sierlijke letters, en door de openstaande deur kwam een geur van warm brood en gemalen koffiebonen naar buiten die zelfs op het parkeerterrein te ruiken was.
"Hier stoppen we altijd," zei Papa, terwijl hij de laadkabel uit de paal trok en met een klik aansloot op de auto. Op het scherm verscheen meteen een bliksemschichtje en een percentage dat langzaam begon te tikken. "Terwijl de auto eet, eten wij."
Binnen bij de bakkerij haalden ze warme broodjes met kaas, de korst nog knisperend, een krentenbol voor Roos die meteen een hap nam en een kruimel op haar trui liet vallen zonder het te merken, en voor Papa een koffie die hij meteen buiten op een bankje opdronk, kijkend naar het scherm van de auto waarop het laadpercentage langzaam omhoogkroop, van tweeënveertig naar drieënveertig procent, terwijl een mus onder het tafeltje ernaast kruimels wegpikte.
Noud gebruikte de pauze om zijn cameraatje weer boven te halen. Hij filmde de laadpaal, het display met de oplopende percentages, zijn eigen krentenbol van dichtbij zodat je alleen nog kruimels zag, en probeerde net een shot te maken van het hele gezin op het bankje toen het schermpje ineens zwart werd, met een klein rood balkje dat nog een seconde bleef knipperen voor het helemaal doofde.
"Batterij leeg," zei hij verbaasd, en schudde het cameraatje even alsof dat zou helpen. "Ik heb hem gisteren toch opgeladen?"
"Precies," zei Ties. "Gisteren."
"Wat bedoel je daarmee?"
"Dat gisteren niet vandaag is," zei Ties, en nam een grote hap van zijn broodje zodat hij niet meteen verder hoefde uit te leggen wat hij precies bedoelde.
Noud stopte het cameraatje mopperend in zijn rugzak, naast de oplaadkabel die hij, zo bleek later, netjes thuis had laten liggen op het aanrecht, naast de fruitschaal, waar hij hem 's ochtends nog had neergelegd om niet te vergeten. Voor vandaag was het dus klaar met filmen. Hij troostte zich met het idee dat er nog negen dagen zouden komen, en at zijn krentenbol verder op met het gezicht van iemand die een groter plan in gedachten houdt.
Na twintig minuten was de auto vol genoeg geladen om verder te rijden, tachtig procent, genoeg voor de rest van de dag zonder nog een keer te hoeven stoppen. Ze reden Hilden uit, de snelweg weer op, richting het zuiden. Baila la gasolina klonk uit de speakers en zorgde voor het enige dansmoment van de dag, wat lastig ging met een gordel om, maar Roos wist toch haar schouders te laten meebewegen en trommelde met haar vingers op het deksel van het kompaskistje mee op de maat. Les Champs-Élysées volgde vlak daarna, en Mama zong de Franse woorden half fout, half goed, wat de kinderen altijd geweldig vonden, vooral het stukje waar ze duidelijk de verkeerde lettergreep benadrukte en daar zelf ook om moest lachen.
Ergens na Keulen begon het landschap te veranderen. De vlakte maakte plaats voor glooiingen, heuvels met bos erop dat donkerder groen was dan de bossen thuis, en af en toe een dorpje met een kerktoren die uit de bomen stak, een rood dak hier, een wit huis daar tegen de helling. De weg zelf begon te bochten, zachtjes, zodat de auto af en toe een stukje overhelde en Roos giechelde als dat gebeurde.
"Koe!" schreeuwde Ties ineens, wijzend naar een wei rechts van de weg waar een stuk of tien zwart-witte koeien stonden te grazen, de een met zijn kop naar beneden, de ander roerloos kauwend met zijn staart zwiepend tegen de vliegen.
"Die telt niet," zei Noud. "Ik zag hem als eerste."
"Deed je niet."
"Wel. Ik zei het alleen niet hardop."
"Dat telt niet als spotten," zei Ties. "Spotten is roepen."
"Staat nergens dat je moet roepen."
Papa besloot niet in te grijpen. Sommige discussies losten zichzelf op, en deze eindigde met een compromis waarbij ze allebei een punt kregen, verzonnen door Roos, die verklaarde dat zij scheidsrechter was en dat haar oordeel definitief was.
"Ik geef jullie allebei een half punt," zei ze, met de stelligheid van een echte scheidsrechter. "Want ik zag de koe eigenlijk het eerst."
"Jij deed niet eens mee," zei Ties.
"Daarom telt mijn oordeel juist," zei Roos.
Niemand durfde daartegenin te gaan. Ties mompelde nog iets over oneerlijke scheidsrechters, maar at er verder een schaaltje druiven bij weg die Mama had uitgedeeld, en liet het onderwerp rusten.
Onderweg, ergens tussen Koblenz en Limburg, terwijl de Rijn en later de Lahn af en toe zichtbaar werden tussen de heuvels door, breed en grijsgroen met een enkele aak die stroomafwaarts voer, voelde Roos het kistje op haar schoot opnieuw. Deze keer twijfelde ze niet. Het was warm, echt warm, alsof het net uit een la bij de verwarming was gehaald. Ze hield het even tegen haar wang, zoals je een warme kruik tegen je zou houden, en trok verschrikt haar hoofd terug.
"Mama," zei ze zacht. "Hij doet het weer."
Mama draaide zich om, haar arm over de rugleuning. "Wat doet wat, lieverd?"
"Het kompasje. Hij is warm."
Ze pakte het kistje aan en voelde er met haar vingers overheen. Het metaal voelde inderdaad warmer aan dan verwacht, warmer dan de zon door het raam kon verklaren, want de zon stond op dat moment juist achter een wolk, een grijze, platte wolk die een schaduw over de hele weg legde. Ze klapte het deksel open. De naald, die al die tijd rustig naar het noorden had gewezen, bewoog. Langzaam, zonder haast, zwenkte hij opzij, weg van het noorden, tot hij recht naar voren wees. Naar de weg die ze reden. Naar Limburg.
"Papa," zei Mama, met een half lachje in haar stem, "volgens mij weet dit kompasje al waar we naartoe gaan."
Papa keek even in het spiegeltje. "Vast toeval," zei hij. "Metalen doosjes worden warm in de zon."
"De zon zit achter een wolk," zei Noud, die het kistje inmiddels ook had bekeken en er met zijn wijsvinger overheen streek.
Niemand had daar een antwoord op. Het bleef een tijdje stil in de auto, alleen de radio zachtjes op de achtergrond en de band die over het asfalt zoemde. Roos hield het kistje dicht tegen zich aan, tevreden, alsof ze het al die tijd al had geweten. Ze streelde met haar duim over het gedeukte deksel, zoals je een klein dier zou aaien, en zei verder niets meer, want sommige dingen hoefde je niet uit te leggen om er zeker van te zijn. Het bordje langs de snelweg meldde Limburg, 8 km, en vlak daarna de afslag naar de A3 richting het centrum.
De camping lag precies waar de navigatie had beloofd, direct bij de afslag, aan het water. Schleusenweg 16, stond er op een houten bord bij de slagboom, met daaronder in kleinere letters Camping Resort Limburg. Achter de receptie glinsterde de Lahn in de namiddagzon, breed en traag stromend, met op de andere oever een rij bomen die tot aan de waterkant reikte en waarvan de bladeren aan één kant een beetje zilverig opflitsten in de wind. Ergens vlakbij klonk het geklater van een sluis, een constant, laag geluid dat je pas opmerkte als je er even bij stilstond.
Het inchecken ging snel. Een medewerker met een klembord en een sleutelbos aan zijn broekriem wees hun de staanplaats aan, vlak bij het restaurant van de camping, met uitzicht op het water. Terwijl Papa de caravan achteruit op de plek manoeuvreerde, het stuur ronddraaiend terwijl hij over zijn schouder naar het spiegeltje bleef kijken, wat altijd meer aanwijzingen van Mama vergde dan hem lief was, sprongen de kinderen er al uit om de omgeving te verkennen. Het gras onder hun voeten was net gemaaid, met hier en daar een sliert die nog niet was opgeruimd, en rook fris en een beetje zoet.
"Een beetje meer naar links," riep Mama.
"Ik zit recht op de lijn," riep Papa terug.
"Er is geen lijn."
"Er is een lijn," zei Papa, en wees naar een streep in het gras die volgens hem duidelijk zichtbaar was en volgens Mama net zo goed een schaduw van de boom kon zijn.
"Er is een speeltuin," riep Ties, die als eerste de klimtoestellen had gespot tussen de bomen, een houten toren met een net ertussen en een lange rode glijbaan die aan de andere kant naar beneden liep. Hij rende er al naartoe voordat iemand kon zeggen dat hij eerst moest helpen met uitpakken, en klom binnen een paar tellen tot boven in de toren, waar hij zwaaide alsof hij net een berg had beklommen.
Aan het eind van de middag, na het uitpakken van het hoognodige, de kussens en de koelbox en de stoelen die tegen de caravan werden gezet, liepen ze samen het pad langs de rivier op, richting de oude stad. Het pad was van fijn grind, dat knerpte onder hun schoenen, en aan de rand stonden wilgen die hun takken tot bijna in het water lieten hangen. Op nog geen twintig minuten lopen doemde de skyline van Limburg op, huizen met vakwerkgevels tegen de helling, bruin met wit, en daarboven, hoog op de rots, de Dom. Zijn torens staken fors boven de daken uit, grijzig steen tegen een lucht die inmiddels was opgeklaard tot een helder blauw met een enkele lange streep wolk erin.
"Die is hoger dan onze kerk thuis," zei Noud, met zijn hoofd achterover en zijn hand boven zijn ogen tegen het felle licht.
"Veel hoger," zei Papa. "Die staat er al bijna achthonderd jaar."
"Achthonderd jaar," herhaalde Ties, alsof hij het getal moest proeven om het te geloven. "Dat is nog voor opa."
"Dat is voor iedereen," zei Papa, en moest er zelf om lachen.
Roos, met het kistje nog altijd in haar jaszak, keek ook omhoog, naar de torens, en toen naar het kompasje dat ze uit haar zak had gevist. Ze hield het plat op haar hand, zoals je iemand iets laat zien dat je net gevonden hebt.
"Wijst hij nog steeds hierheen?" vroeg ze aan niemand in het bijzonder.
De naald stond stil. Gewoon naar het noorden, zoals een kompas hoort te doen. Roos haalde haar schouders op en stopte het kistje terug in haar zak, niet teleurgesteld, eerder alsof ze wist dat het geduld kon hebben. Boven hen luidde een klok, ergens hoog in een van de torens, zes zware slagen die over de rivier galmden en nog even bleven natrillen in de lucht voordat het weer stil werd, op het geklater van het water na.
Het gezin liep verder, de smalle straatjes in, met kinderkopjes onder hun voeten en aan weerszijden huizen die zo dicht tegen elkaar stonden dat je bij sommige ramen de was van de buren kon zien hangen. Ergens halverwege een steegje vonden ze een ijssalon met een uitstalraam vol bakken in alle kleuren, van bijna wit tot dieppaars, en een deur die open stond zodat de koude lucht van binnen naar buiten waaide.
"Ik wil chocolade," zei Ties meteen.
"Jij wilt altijd chocolade," zei Noud.
"Omdat chocolade altijd goed is."
"Ik wil aardbei en die gele," zei Roos, wijzend naar een bak met een geel ijs waar ze de naam niet van kon lezen.
"Dat is citroen," zei Mama.
"Dan wil ik dat," zei Roos, zonder een moment van twijfel.
Papa bestelde voor zichzelf een bolletje stracciatella, "om te testen of het hier ook goed is," zei hij, en ging op een bankje buiten zitten terwijl de kinderen met hun hoorntjes de straat weer in liepen, druppels ijs die al smolten in de avondwarmte langs hun vingers liepen voordat ze er goed en wel aan konden likken. Noud probeerde zijn hoorntje op een bepaalde manier vast te houden zodat het niet zou druipen, wat niet lukte, en hij likte uiteindelijk zijn hele pols schoon onder het lopen.
Toen ze na het ijsje terugliepen naar de camping, lag de rivier er stiller bij dan eerder, het water bijna zwart in de schemer, met alleen bij de sluis nog een streep licht die weerkaatste. Bij de receptie brandde een lamp boven de deur van het kleine winkeltje, waar volgens een bordje ook fietsbanden geplakt en zonnebrand verkocht werd. Mama bleef er even staan kijken naar de rekken bij de kassa, tussen de ansichtkaarten en de zakjes marshmallows.
"Noud," zei ze. "Kom eens."
Noud kwam aanlopen, nog met een restje ijs op zijn kin. Mama wees naar een klein rek met kabels en opladers, netjes in doorzichtige verpakkingen aan een haakje, tussen de oplaadkabels voor telefoons een universeel kabeltje met verschillende stekkertjes eraan.
"Zou dat op jouw cameraatje passen?"
Noud haalde het cameraatje uit zijn rugzak en hield het naast de verpakking. Een van de stekkertjes leek precies te kloppen.
"Volgens mij wel," zei hij.
De vrouw achter de kassa, die net de kassalade dichtschoof, knikte toen Mama het kabeltje liet zien. "Past op de meeste kleine camera's," zei ze in het Duits, en Papa rekende af terwijl Noud het kabeltje al uit het plastic probeerde te peuteren.
"Dan kan hij vannacht opladen," zei Papa, "en morgen film je gewoon weer verder."
Noud stopte het kabeltje meteen in zijn broekzak, tevreden, alsof daarmee de hele dag alsnog goed was afgelopen. Ze liepen de laatste meters naar de caravan in het donker dat langzaam over de camping viel, met hier en daar al een lantaarn aan en het geluid van een ander gezin dat verderop nog aan het afwassen was. Roos, half slapend tegen Mama's arm, hield het kompaskistje nog steeds vast, de naald weer gewoon naar het noorden wijzend, rustig, alsof er niets aan de hand was geweest.