Zomer ’26
🏰 Hoofdstuk 3 van 10

De grens bij Kufstein en het kasteel boven Itter

🎧 Liever luisteren? Jolanda leest voor

⬇ mp3

Een rits gleed piepend omhoog, van beneden naar boven, en het voortentzeil kwam los van de haringen met een zacht plofje van lucht die eruit ontsnapte. Papa rolde het zeil op tot een strakke worst en drukte er met zijn knie tegenaan om de laatste lucht eruit te persen voor hij de klittenband erover deed. Bij AZUR Camping Ingolstadt hing nog een ochtendnevel boven het Auwaldsee, dun en grijswit, met een eend die er geluidloos doorheen zwom en een streep kroos achter zich aan trok. Het gras was nat van de dauw en plakte koud aan blote enkels, wat Roos meteen ontdekte en met een gilletje weer terugtrok naar de stoep bij de caravan.

"Sokken aan," zei Mama, zonder op te kijken van de koelbox die ze aan het vullen was met de restjes brood en kaas van gisteren.

"Het is zomer," zei Roos, alsof dat een tegenargument was.

"Het gras is nog niet op de hoogte van de kalender," zei Mama, en Roos trok mopperend haar sokken aan, met het kompaskistje intussen onder haar oksel geklemd zodat ze toch met beide handen kon werken.

Ties was al twee keer om de caravan heen gelopen om te controleren of alles goed vastzat, zijn eigen versie van Papa's vaste controlerondje, compleet met een half onbegrijpelijk genoteerd lijstje op de achterkant van zijn plattegrondvel. Hij tikte tegen de achterlichten, trok aan de stang van de fietsendrager waar geen fietsen op zaten, en knikte tevreden alsof hij zojuist iets belangrijks had goedgekeurd.

"Alles in orde," meldde hij aan Papa, die net de wielklem in de achterbak legde.

"Dank je, collega," zei Papa, en Ties liep met opgeheven kin naar de auto, duidelijk in zijn nopjes met die titel.

Noud stond intussen bij de picknicktafel met zijn actioncam recht voor zijn gezicht, het nieuwe kabeltje er nog aan vast om de laatste procentjes mee te pakken uit het stopcontact bij het sanitairgebouw. Op het schermpje verscheen honderd procent en hij trok het kabeltje er met een triomfantelijk gebaar uit.

"Vandaag," zei hij tegen de lens, met de stem die hij bewaarde voor belangrijke aankondigingen, "gaan we de bergen in. Echte bergen. Vandaag slapen we in Tirol." Hij liet de camera even naar de horizon zwaaien, waar niets dan vlak Beiers land te zien was, en keek er zelf een beetje beteuterd naar. "Nou ja. Straks dan."

"Kun je ook een keer filmen zonder erbij te praten," zei Ties, die met zijn rugzak langsliep.

"Dat heet een voice-over," zei Noud. "Dat is professioneel."

"Dat heet kletsen," zei Ties, en klom in de auto voor Noud iets kon terugzeggen.

Om kwart voor negen reed de Tesla de slagboom uit, de caravan er zwaaiend achteraan, en Papa sloeg de borden in richting Rosenheim en verder naar het zuiden. Het was helder weer, een lucht zonder wolk, en de zon stond al hoog genoeg om lange schaduwen van de geluidsschermen over de rijbaan te laten flitsen. Mama had de route opgezocht op haar telefoon en liet hem aan de kinderen zien, een lijn die van Ingolstadt naar beneden liep, langs Rosenheim, de grens over, en dan verder een stuk naar het zuiden tot een plek met de naam Itter.

"Ruim driehonderd kilometer," zei Mama. "Maar wel met bergen erin, dus het duurt langer dan het lijkt."

"Bergen!" riep Roos, en ze klapte zo hard in haar handen dat het kistje van haar schoot gleed en op de vloer van de auto viel, gelukkig gesloten, zodat het kompasje er niet uit rolde. Ze raapte het op, blies er denkbeeldig stof af en hield het weer stevig vast.

De eerste uren gingen zoals de ritten daarvoor, met stroopwafels die werden doorgegeven, een korte discussie over wie het raampje open of dicht wilde, en muziek die Papa aanzette zodra de snelweg recht en saai werd. Lichtje branden klonk zacht door de speakers, en Mama zong de tweede helft van elke regel net iets te vroeg, wat de kinderen altijd grappig vonden omdat ze het telkens weer deed zonder het zelf te merken. Bij Waterdicht ging het raam van Ties naar beneden en stak hij zijn hand naar buiten, zijn vingers golvend in de wind tot Mama zei dat hij zijn arm toch echt binnen moest houden, wat hij deed met een zucht die duidelijk hoorbaar was boven de muziek uit.

Ergens na Rosenheim veranderde het landschap. Wat eerst vlak Beiers akkerland was geweest met hier en daar een rij populieren, kreeg langzaam glooiingen, en de glooiingen werden heuvels, en de heuvels kregen pieken met een waas van blauw eromheen die in de verte bijna niet van de lucht te onderscheiden waren. Ties was de eerste die het zag.

"Bergen," zei hij, zijn stem ineens laag van ontzag, zijn neus tegen het raam gedrukt. "Echte."

"Dat zijn de Alpen," zei Papa.

"Gaan we daar overheen?" vroeg Noud, die zijn camera al had opgepakt en op de bergen richtte, wat op het schermpje vooral een waas van blauwgrijs opleverde omdat de afstand te groot was voor scherp beeld.

"Langs," zei Papa. "Niet erover. We rijden over de A8, en die loopt door het Alpenvoorland, met de bergen steeds dichterbij aan de rechterkant."

"Wanneer zijn we in Oostenrijk?" vroeg Ties.

"Nog een klein uurtje. Bij een plaats die Kufstein heet, gaan we de grens over."

"Gaan we daarna naar Italië?" vroeg Roos, meteen rechtop.

"Niet vandaag," zei Mama. "Italië ligt nog een heel eind verder, achter nog meer bergen. Vandaag rijden we alleen naar Tirol, naar Itter."

Roos zei niets terug, maar ze legde haar hand op het kistje op haar schoot en liet hem daar liggen, haar duim over het deksel wrijvend zoals ze wel vaker deed als ze ergens over nadacht. De weg bleef vlak, maar de bergen aan de rechterkant werden met elke kilometer duidelijker, niet langer een waas van blauw maar echte hellingen met rotsen en donker naaldbos, en beneden bij een viaduct zag ze even een rivier breed en grijsgroen tussen kiezelbanken door stromen.

Bij een laadstation net voor de grens, tussen twee tankstations in een gebouw met een golfplaten dak, stopten ze om de auto weer vol te zetten. Papa klikte de kabel vast en op het scherm verscheen het percentage, langzaam optellend vanaf tweeënveertig. De lucht rook hier al anders, iets kouder en scherper, met een vleugje hars dat van de dennenbossen op de hellingen rondom leek te komen. Een vrachtwagenchauffeur naast hen at een broodje staand tegen zijn cabine geleund, en zwaaide kort naar Roos toen ze hem nieuwsgierig aankeek.

"Kijk," zei Ties, wijzend naar een bord met een bergsilhouet erop en de naam Kufstein eronder. "Daar gaan we de grens over."

"Dat is ook meteen de eerste echte berg die we van dichtbij zien," zei Papa. "Een vesting op een rots, midden in het stadje."

Noud rekende hardop hoe ver het nog was, zijn lippen bewegend, tot Ties hem voor was met het antwoord, wat een korte overwinningsdans van Ties opleverde die eindigde met een por van Noud tegen zijn schouder, niet hard, meer een broederlijk gebaar dat zei dat het genoeg was geweest.

Na twintig minuten laden reden ze verder, de grens over bij een bord dat simpelweg Österreich zei, groen met witte letters, zonder slagboom of douanehuisje, wat Ties een beetje teleurstelde.

"Ik dacht dat er een hek zou zijn," zei hij.

"Vroeger wel," zei Papa. "Nu niet meer. Landen in Europa laten elkaars auto's gewoon doorrijden."

"Dat is wel zo makkelijk," zei Noud, die het bord filmde terwijl het voorbijschoot, wat resulteerde in een wazige groene streep op het schermpje die hij later nog drie keer terugspeelde in de hoop dat hij hem toch scherp had gekregen.

De weg boog nu geleidelijk het dal in, met aan één kant een rotswand die dichter bij de vangrail kwam te staan, gegroefd en gebarsten, met hier en daar een boompje dat zich ergens in een spleet had weten vast te wortelen, en aan de andere kant een rivier die breed en grijsgroen door het dal meanderde. Roos had haar neus tegen het raam gedrukt en haar adem besloeg een cirkeltje op het glas dat steeds weer wegtrok en terugkwam.

"Mijn oren doen raar," zei ze plots, en wreef er met haar hand tegenaan.

"Dat komt van de hoogte," zei Mama. "Slik maar een paar keer, of geeuw. Dat helpt."

Roos geeuwde overdreven, met haar mond wagenwijd open, wat Ties aan het lachen maakte tot hij zelf ook zijn oren voelde en hetzelfde ging doen, en even later deed zelfs Noud mee, alle drie geeuwend als een stel kleine leeuwen, tot Papa zei dat als ze zo doorgingen hij er zelf ook nog van moest geeuwen achter het stuur, wat niet handig was op een weg met zoveel bochten.

Toen kwam de vesting.

Ze reden een bocht om en daar, hoog op een rots midden in een stadje, stond ineens een kasteel met dikke ronde torens, grijs steen tegen de helling erachter. Een lift, smal en glazen, liep in een rechte lijn tegen de rotswand omhoog naar de poort.

"Kijk daar eens," zei Papa, met iets van ontzag in zijn stem dat de kinderen niet vaak van hem hoorden. "Dat is Festung Kufstein. Om twaalf uur speelt daar een groot orgel, zo hard dat je het door het hele dal hoort."

"Een orgel op een kasteel?" vroeg Noud, die zijn camera al tegen het raam had gedrukt en de vesting filmde terwijl die langzaam voorbijgleed.

"Het grootste openluchtorgel van de wereld, geloof ik," zei Mama. "Misschien gaan we er nog eens naartoe, vanuit Itter is het maar een half uurtje."

Ties boog zich zo ver naar het raam dat zijn neus er bijna tegenaan drukte, zijn ogen wijd. "Ik zie mensen op de muur lopen. Piepklein."

Roos zei niets. Ze had het kistje met beide handen vast, dichter tegen haar buik gedrukt dan daarvoor, en keek naar de vesting met een blik die tussen verlegenheid en verwondering in hing. Ze klapte het deksel open, zomaar, zonder dat iemand het haar vroeg, en keek naar de naald. Hij stond stil, gewoon naar het noorden gericht, maar het metaal onder haar vingers voelde ineens warmer aan dan het net nog had gedaan.

"Hij doet het weer," fluisterde ze, meer tegen het kistje dan tegen iemand anders.

Niemand hoorde het goed, want op dat moment riep Ties dat hij bij de vesting een vlag zag wapperen, wat niemand kon bevestigen omdat de auto alweer de volgende bocht in ging, en het moment gleed voorbij zoals het altijd deed, ongemerkt door iedereen behalve Roos zelf, die het kistje stilletjes dichtklapte en tegen haar been liet rusten.

Vlak na de vesting passeerden ze zonder poespas de grens, een eenvoudig bord met Österreich erop, groen met witte letters, zonder slagboom of douanehuisje, wat Ties een beetje teleurstelde.

"Ik dacht dat er een hek zou zijn," zei hij.

"Vroeger wel," zei Papa. "Nu niet meer. Landen in Europa laten elkaars auto's gewoon doorrijden."

"Dat is wel zo makkelijk," zei Noud, die het bord filmde terwijl het voorbijschoot, wat resulteerde in een wazige groene streep op het schermpje die hij later nog drie keer terugspeelde in de hoop dat hij hem toch scherp had gekregen.

De weg volgde nu het brede dal van de rivier de Inn, met aan weerszijden groene hellingen die geleidelijk steiler werden en verderop overgingen in echte bergwanden. Boven de verste toppen hing een dunne mist, niet dicht genoeg om het uitzicht te bederven, maar genoeg om de achtergrond een waas van grijs te geven, als een tekening waarvan de verte nog niet helemaal af was.

"Zijn we al in Tirol?" vroeg Roos.

"Sinds de grens al," zei Papa. "Nog een klein kwartiertje rijden, dan slaan we af naar Itter."

De borden langs de snelweg begonnen andere namen te noemen, Wörgl en later ook Itter zelf, met een getal erachter dat langzaam kleiner werd. Noud gebruikte het rustige stuk om Ties te interviewen, de camera vlak voor zijn broers gezicht gehouden terwijl die het ongemakkelijk vond en steeds opzij probeerde te kijken.

"Ties," zei Noud, met een stem die hij ergens van een presentator moest hebben afgekeken, "wat vond je van de vesting van daarnet?"

"Hoog," zei Ties.

"Kun je dat wat uitgebreider vertellen voor de kijkers?"

"Heel hoog," zei Ties, en duwde de camera van zich af met zijn hand, wat Noud niet weerhield om het fragment toch te bewaren, "want dat is grappig materiaal," zoals hij het zelf noemde.

Hij probeerde het daarna bij Roos, die wel meewerkte en breeduit vertelde over de mensen die ze piepklein op de muur had zien lopen, en bij Mama, die vanaf de bijrijdersstoel vertelde dat ze zich had voorgesteld hoe het moest zijn om daarboven te wonen, met zo'n orgel vlak naast je slaapkamer, wat Papa nog aanvulde met de opmerking dat hij daar dan nooit meer zou kunnen uitslapen, wat Ties aan het lachen maakte.

Tegen het einde van de middag verlieten ze de snelweg bij een afslag met de naam Wörgl, en de weg werd smaller, kronkelend tussen weilanden door waar koeien met bellen om hun nek stonden te grazen, het gerinkel van het metaal dat af en toe over het geluid van de motor heen te horen was als de auto langzamer reed. Boven een volgende bocht doemde plotseling een berg op met daarboven, hoog tegen de helling, iets dat eruitzag als een kasteel, muren van grijze steen met een ronde toren, half verscholen tussen de bomen.

"Kijk," zei Ties, wijzend. "Een kasteel. Een echt kasteel."

"Dat moet Schloss Itter zijn," zei Mama, die op haar telefoon de kaart erbij hield. "Vlak bij onze camping van vannacht."

"Gaan we daar naar binnen?" vroeg Roos, met grote ogen.

"Dat weet ik nog niet," zei Mama. "Maar we slapen er wel vlak onder, dat is al bijzonder genoeg."

De weg boog nog een keer, en toen zagen ze het bord: Camping Schlossberg Itter, met een pijl naar een smal weggetje dat tussen twee huizen door omhoog liep, het dorpje in. Papa reed voorzichtig, de caravan slingerend in de bochten, tot ze bij een slagboom kwamen waarachter een grasveld lag, omzoomd door bomen, met daarboven, torenhoog leek het van hieruit, de contouren van het kasteel tegen de avondlucht.

Het inchecken ging bij een houten balie waar een man met een grijze snor de sleutel van het sanitairgebouw aan een koordje overhandigde en met zijn arm wees naar de plek waar ze mochten staan, dicht bij de bosrand, met uitzicht schuin omhoog naar de berg. Terwijl Papa de caravan naar zijn plek manoeuvreerde, wat door de helling van het terrein wat meer sturen kostte dan normaal, klommen de kinderen al uit de auto en bleven stokstijf staan kijken naar de berg boven hen.

Het kasteel stond er nu duidelijk, hoger dan ze hadden gedacht toen ze het van de weg af hadden gezien, met dikke muren van grijze steen die aan de randen een beetje verweerd waren, een ronde toren aan één kant, en ramen die klein en donker in de avondzon leken te staren. Rondom stonden dennen die tot halverwege de muren reikten, en de lucht erboven had de kleur van perzik gekregen, met een streep wolk die roze oplichtte langs de rand.

"Dat is groot," zei Ties, zijn hoofd ver in zijn nek.

"En oud," zei Noud, die zijn camera al had gepakt en het kasteel filmde, langzaam omhoog bewegend van de voet van de berg tot aan de toren. "Dit móét ik in de vlog zetten."

Roos stond er zwijgend naar te kijken, het kompaskistje weer uit haar rugzak gehaald en tegen haar borst gedrukt. Ze opende het deksel, keek naar de naald, en fronste haar wenkbrauwen.

"Hij zwenkt," zei ze zacht.

Niemand hoorde het meteen, want Papa riep net dat de caravan stond en dat iedereen mocht helpen met de steunpoten, en tegen de tijd dat Mama bij Roos kwam staan, was de naald alweer gewoon naar het noorden gericht, roerloos, als een klein pijltje dat nooit iets anders had gedaan.

"Wat zei je, lieverd?" vroeg Mama.

"Niks," zei Roos, en stopte het kistje terug in haar rugzak, met een blik naar boven, naar het kasteel, alsof ze daar iets van vermoedde wat ze nog niet hardop wilde zeggen.

Na het uitklappen van de voortent en het klaarmaken van het avondeten, brood met worst en een schaal tomaten die Papa in partjes had gesneden op de kleine campingtafel, gingen ze met hun bord op schoot op de klapstoelen zitten, met zicht schuin omhoog naar het kasteel, dat in het laatste licht van de avond een diepe, bijna zwarte kleur had gekregen tegen een lucht vol sterren die net begonnen te verschijnen.

"Papa," zei Ties, zijn mond nog vol brood, "wat is dat voor kasteel eigenlijk?"

Papa legde zijn bord even op zijn knie en keek omhoog, naar de contouren tegen de sterrenhemel. "Schloss Itter," zei hij. "En daar is iets bijzonders gebeurd, lang geleden. Wil je het horen?"

Alle drie de kinderen knikten, zelfs Ties, die normaal gesproken bij verhalen al snel afgeleid raakte door iets anders, maar nu zijn brood even liet rusten op zijn bord.

"Het was in de Tweede Wereldoorlog," begon Papa, "aan het einde ervan, in mei negentienvijfenveertig. Op de vijfde mei, om precies te zijn." Hij wachtte even, alsof hij de datum wilde laten bezinken. "In dat kasteel, daar boven ons, zaten op dat moment gevangenen. Franse gevangenen, belangrijke mensen, onder wie zelfs een man die ooit eerste minister van Frankrijk was geweest. De Duitsers hadden ze daar vastgehouden."

"Waarom in een kasteel?" vroeg Noud, die zijn camera had neergezet maar toch nog liet opnemen, gericht op het silhouet van het gebouw boven hen.

"Omdat een kasteel dik van steen is, en moeilijk te ontsnappen," zei Papa. "Maar toen de oorlog bijna afgelopen was, gebeurde er iets wat niemand had verwacht. Er kwamen SS-soldaten aan, dat waren de meest fanatieke troepen van de Duitsers, om het kasteel aan te vallen en de gevangenen misschien zelfs iets aan te doen."

"En toen?" vroeg Roos, die haar bord helemaal was vergeten en met beide handen om het kompaskistje op schoot zat.

"Toen gebeurde het bijzondere," zei Papa. "Er waren op dat moment ook Amerikaanse soldaten in de buurt, die daar met tanks naartoe waren gekomen om te helpen. En er waren óók Duitse soldaten bij het kasteel, gewone soldaten, die niets van de SS moesten hebben. En die twee groepen, Amerikanen en Duitsers, die eigenlijk vijanden van elkaar waren in die oorlog, besloten om samen te vechten. Zij aan zij. Om het kasteel te verdedigen, en om de gevangenen te beschermen."

"Duitsers en Amerikanen samen?" vroeg Ties, zijn wenkbrauwen gefronst. "Maar die vochten toch tegen elkaar?"

"Meestal wel," zei Papa. "Maar die dag niet. Die dag stonden ze aan dezelfde kant, tegen de SS. Het is een van de weinige keren in die hele oorlog dat dat gebeurde, Duitse en Amerikaanse soldaten die samen streden."

Mama had intussen het licht boven de campingtafel aangeknipt, een klein geel peertje aan een snoer tussen twee bomen, en in dat licht keek ze naar de kinderen, die alle drie stil naar boven staarden, naar het kasteel dat nu bijna helemaal in het donker was opgegaan, op een enkel raam na waar misschien een lamp van de huidige bewoners brandde.

"Is het gelukt?" vroeg Roos zacht. "Hebben ze gewonnen?"

"Ja," zei Papa. "Het kasteel hield stand, en de gevangenen bleven veilig. Maar het bijzondere zit hem niet alleen in de overwinning. Het zit erin dat mensen die elkaars vijand waren, op dat moment besloten dat er iets belangrijkers was dan wie er aan welke kant stond. Ze zagen dat de gevangenen bescherming nodig hadden, en dat woog zwaarder dan het feit dat ze normaal tegenover elkaar stonden."

Het bleef even stil tussen hen, alleen het geluid van een uil ergens in de bomen boven de camping, en het zachte geritsel van de wind door de dennentakken. Noud was de eerste die weer iets zei.

"Dat zet ik zeker in de vlog," zei hij, zacht dit keer, zonder de gebruikelijke opgewektheid waarmee hij anders over zijn filmpjes sprak. "Dit is een goed verhaal."

"Het is geen verzonnen verhaal," zei Papa. "Het is echt gebeurd. Precies daar." Hij wees met zijn kin omhoog, naar de zwarte omtrek tegen de sterren.

Roos had het kistje intussen geopend, op haar schoot, en keek naar de naald in het schemerlicht van de lamp boven de tafel. Ze bewoog niet veel, maar heel even, terwijl Papa nog naar het kasteel wees, zwenkte de naald een fractie weg van het noorden, aarzelde, en gleed toen weer terug naar waar hij hoorde te staan.

"Zag je dat?" fluisterde ze tegen Ties, die naast haar zat.

"Wat?" zei Ties, die net een laatste hap tomaat nam en niets gemerkt had.

"Niks," zei Roos weer, en klapte het deksel dicht met een zacht klikje, tevreden alsof ze iets voor zichzelf had bevestigd dat ze toch nog niet hardop wilde delen.

Later, toen de borden waren afgewassen in de gootsteen van het sanitairgebouw en de kinderen in hun pyjama's op de klapstoelen zaten met een deken over hun benen, wees Mama naar de hemel, waar tussen de dennentoppen door meer sterren zichtbaar waren dan ze in Tilburg ooit hadden gezien, een dicht bezaaide streep die dwars over de hemel liep.

"Dat is de Melkweg," zei Mama. "Die zie je thuis bijna nooit, door alle lantaarns."

"Hier is het donkerder," zei Noud, die zijn camera nog eenmaal omhoog richtte, wat op het schermpje weinig meer opleverde dan een korrelig zwart beeld met een paar lichtstipjes, maar hij filmde het toch, "voor de sfeer," zoals hij het noemde.

Ties viel als eerste bijna in slaap op zijn stoel, zijn hoofd schuin tegen de rugleuning, tot Papa hem zachtjes wakker maakte en naar binnen stuurde. Roos liep als laatste de caravan in, met het kistje nog in haar handen, en wierp bij de deur nog een blik omhoog naar de berg, waar het kasteel niet meer te onderscheiden was van het donker eromheen, op een enkel raampje met licht na, ver boven de camping, hoog tegen de sterren.

"Welterusten," zei ze tegen het kasteel, zomaar, zacht genoeg dat niemand het echt hoorde, en stapte naar binnen waar haar bed al was opgemaakt tussen dat van haar broers, met het kompaskistje zoals altijd binnen handbereik op het kussen naast haar hoofd.

↑ Overzicht ← Hoofdstuk 2 Hoofdstuk 4 →
⬇ Het hele boek als Word-document
Heenreis Oostenrijk Italië Terugreis Streken Voorleesverhaal Live Woordjes Praktisch Links