Zomer ’26
🌙 Hoofdstuk 7 van 10

Slapen in de wolken bij de Gaudeamushütte

🎧 Liever luisteren? Jolanda leest voor

⬇ mp3

Het laatste stukje pad boog om een rotsblok heen, en Ties telde hardop de laatste stappen, gewoon omdat hij van tellen hield, niet omdat er iets te overwinnen viel. Zijn schoenen stapten licht over het brede grind, en zijn ademhaling ging gewoon, nauwelijks sneller dan bij een wandeling door het park thuis. Noud liep twee passen voor hem, zijn rugzakband los om zijn borst, en droeg de actioncam al in zijn hand, klaar om aan te zetten zodra er iets de moeite waard leek. Roos zat op Papa's schouders voor het laatste stukje, niet omdat ze moe was, zei ze zelf, maar omdat het uitzicht daar "gewoon beter" was, en het kompasje bungelde aan het koordje om haar nek, tegen haar borst.

Toen ze de laatste bocht om kwamen, lag de Gaudeamushütte ineens voor hen, kleiner dan verwacht tegen de rotswand aan geplakt, met houten balken die grijs waren geworden van de zon en een dak dat blonk van een regenbui die eerder die middag over de berg was getrokken. Papa bleef stilstaan, zijn handen in zijn zij, en grijnsde breed.

"Twaalfhonderddrieënzestig meter," zei hij. "En daar is-ie dan. Dat hele stuk in nog geen uur."

"Dat wisten we toch al," zei Noud, maar hij grijnsde erbij en filmde de hut van onderaf, met zijn arm gestrekt en zijn duim tegen de knop.

"Weten is anders dan zien," zei Papa, en liep de laatste meters naar de deur met een pas die nog verrassend veel veerkracht in zich had voor iemand die net een berg op was gelopen.

Bij de ingang stond een groepje wandelaars hun stokken tegen de gevel te zetten, en er hing een geur van houtvuur en soep die door de op een kier staande deur naar buiten kwam. Een cowbell klingelde ergens beneden hen, onregelmatig, en uit de verte klonk het geluid van een propaankachel die werd aangestoken. Mama zette de rugzakken een voor een tegen de bank bij de deur en telde de kinderen hardop, Noud, Ties, Roos, alsof ze bang was er ergens onderweg eentje verloren te zijn, al wist ze best dat dat niet zo was.

"We zijn er," zei ze, en ging op de bank zitten om haar veters los te maken. Haar voeten waren rood aan de zijkant van vermoeidheid, en ze wreef er even overheen voor ze haar schoenen helemaal uittrok.

"Ik heb het gehaald zonder gedragen te worden," zei Ties, met zijn handen op zijn knieën, nog na-hijgend.

"Dat had ook niemand aangeboden," zei Noud.

"Daarom zeg ik het juist."

De hutbeheerder, een man met een rode wollen trui en een sleutelbos die tegen zijn heup tikte bij elke stap, kwam de gang op en wees hun de weg naar een kamer op de eerste verdieping. Een stapelbed met vier matrassen tegen de muur, een klein raam met daarachter niets dan rots, zo dichtbij dat je hem bijna kon aanraken als je je arm naar buiten stak, en een luchtje van hout en zeep dat in de kussens leek te zitten. Geen gordijnen, alleen een houten luik dat je kon dichtklappen tegen het ochtendlicht. Roos liet zich meteen op het onderste bed vallen, armen wijd.

"Dit is van mij," verklaarde ze.

"Voor één nacht, Rozepoos," zei Papa, terwijl hij zijn rugzak op de bovenste matras liet zakken met een plof die stof deed opstuiven uit het dekbed.

"Voor altijd," hield ze vol, en trok het dekbed al over zich heen als bewijs.

Naast hun kamer, door een dunne houten wand, klonk het geritsel van een slaapzak en iemand die in een taal praatte die ze niet herkenden. Verderop op de gang lag een grotere zaal met rijen stapelbedden naast elkaar, een Matratzenlager zoals op het bordje bij de trap stond, waar volgens de beheerder een groep van twaalf Duitse wandelaars die avond zou overnachten. Door de open deur zagen ze slaapzakken op een rij liggen als blokjes chocolade in een doos, en een paar rugzakken die tegen de muur stonden opgesteld op volgorde van grootte.

"Slapen jullie daar allemaal samen? Zomaar, met vreemden?" vroeg Ties, die op zijn tenen door de deuropening gluurde.

"Zo gaat dat hier," zei Papa. "Wij hebben geluk, wij hebben een eigen kamertje."

"Ik zou niet kunnen slapen met twaalf snurkende mannen," zei Noud, met het gezicht van iemand die net een groot gevaar had ontweken.

Op de gang liepen ook andere gasten af en aan, een vader met twee dochters die net terugkwamen van het toiletgebouw met natte handdoeken over hun schouder, en een stel met grijze haren dat in het Duits overlegde over welk bed het minst tocht. Iemand had zijn wandelstokken tegen de muur bij de trap gezet, keurig op een rij, met de punten naar beneden, en er hing bij de deur van de Matratzenlager een waslijntje met een paar sokken die al leken op te drogen van de warmte van de kachel beneden.

Mama liep de kamer nog eens rond en drukte met haar duim op een blaar bij Ties' hiel voor ze er een pleister overheen plakte, en vroeg Noud of zijn sokken droog genoeg waren om nog een dag mee te gaan. Ze hingen de natte was over de verwarmingsbuis onder het raam, twee paar sokken, een T-shirt, een handdoek, in een rijtje dat meteen iets huiselijks gaf aan de verder kale kamer. Papa ging bij het raam staan en probeerde, met zijn hoofd schuin, iets te zien van de bergpas verderop, maar er hing al een grijze sluier voor de rotsen die er eerder nog scherp hadden bijgestaan.

Beneden op het terras zaten al andere gasten aan lange houten tafels, sommigen met een kaart uitgespreid, anderen gewoon met hun gezicht naar de laatste zon gekeerd en hun ogen dicht. Bij de ingang hing een klein koperen plaatje, gepoetst tot het bijna schitterde, met een jaartal erop gegraveerd dat Noud hardop voorlas terwijl hij er met zijn vinger overheen streek.

"Achttien negenennegentig," las hij. "Zo oud is deze hut."

"En daaronder?" vroeg Ties, die zich langs zijn broer wrong om ook te kijken.

"Negentien vierentwintig, lawine," las Noud verder, langzamer nu. "En dan negentien zevenentwintig, herbouwd."

"Een lawine heeft hem kapotgemaakt?" Ties' ogen werden groot.

"En toen hebben ze hem gewoon weer opgebouwd," zei Papa, die achter hen was komen staan met zijn handen op hun schouders. "Drie jaar later stond hij er weer. Precies hier."

"Wat als er nu weer een lawine komt," zei Ties, die met zijn blik omhoog naar de rotswand ging.

"Niet in de zomer, Tiesemans," zei Mama. "Dat is winterwerk."

Ties knikte, niet helemaal gerustgesteld maar wel afgeleid genoeg door de geur van soep die net vanuit de keuken naar buiten kwam.

Ze gingen zitten aan een tafel bij de rand van het terras, met uitzicht over een dal dat langzaam wegzakte in de schemer. De ober, een jonge vrouw met een geruite schort en een blocnote in haar broekzak, kwam langs met een blad vol kommen die dampten in de koelere avondlucht.

"Halfpension," zei Mama tegen niemand in het bijzonder, terwijl ze de bevestiging nog eens naast haar bord legde, het papiertje dat ze al drie keer die week had gecheckt. "Avondeten en ontbijt, dat zit er allemaal bij."

"Dus we hoeven niks te betalen?" vroeg Ties.

"Papa heeft het al betaald. Maanden geleden," zei Mama.

"Dan is het gratis," zei Ties tevreden, en schoof zijn stoel dichter naar de tafel.

De soep kwam met dikke plakken brood erbij, en daarna gebakken aardappels met spek en een schaaltje sla dat niemand van de kinderen echt aanraakte behalve Roos, die precies twee blaadjes at "om het eerlijk te houden". Ties had zijn bord binnen tien minuten leeg en vroeg meteen of er nog brood mocht, en de ober kwam terug met een extra mandje zonder dat iemand het opnieuw hoefde te vragen.

"En dan nu het belangrijkste," zei Papa, toen de borden werden opgehaald, en hij wees naar het menukaartje dat tegen een houten blokje op tafel stond. "Kaiserschmarrn."

"Wat is dat weer?" vroeg Ties, al half rechtop van nieuwsgierigheid.

"Een pannenkoek," zei Mama. "Maar dan in stukken gescheurd, met poedersuiker erover. En vaak appelmoes erbij."

"Gescheurd? Expres?" Roos legde haar lepel neer om dit met volle aandacht te kunnen volgen.

"Expres," zei Papa. "Zo hoort het."

Toen het bord kwam, dampend, met de brokken pannenkoek die goudbruin en luchtig tegen elkaar lagen onder een dikke sneeuwlaag poedersuiker, met een schaaltje appelmoes ernaast, viel het even stil aan tafel. Ties prikte er met zijn vork in, hield een stuk omhoog, en bekeek het van alle kanten voor hij het in zijn mond stak.

"Hij is echt gescheurd," zei hij, met volle mond en een gezicht alsof hem net een groot mysterie was opgelost.

"Natuurlijk is hij dat," zei Noud, die zelf ook al een hap had genomen en er zijn ogen even bij dichtdeed.

Roos doopte haar stukje eerst in de appelmoes, at het op, en verklaarde vervolgens dat ze "voortaan alleen nog gescheurde pannenkoeken" wilde, wat Mama beloofde door te geven aan niemand in het bijzonder. De poedersuiker bleef aan Roos' bovenlip plakken als een klein sneeuwsnorretje, en ze liet het daar zitten tot Mama het er met een servet af veegde, tegen haar zin in.

Terwijl ze aten, veranderde het licht boven het dal. Eerst was de lucht nog helder, met de rotswand die scherp afstak, maar langzaam schoof er een grijzige waas voor de verste toppen, dun eerst, dan dikker, tot een hele reep berg gewoon verdween alsof iemand er een doek overheen had gelegd.

"Kijk," zei Noud, die als eerste opkeek van zijn bord. "De berg is weg."

Iedereen draaide zich om. Waar eerst nog een scherpe rotsrichel had gestaan, was nu niets dan grijs, een dikke deken die van beneden af omhoogkroop, traag, zonder geluid.

"Dat zijn wolken," zei Papa. "Op deze hoogte trekken ze soms dwars door de hut heen."

"Door de hut? Ook binnendoor?" Ties draaide zich om naar de deur van de eetzaal alsof hij daar al mist verwachtte.

"Niet binnendoor. Maar buiten, om je heen," zei Mama. "Straks zie je het vast."

Ze aten hun laatste hap Kaiserschmarrn op terwijl de wolk verder over het terras schoof, en na een paar minuten was het gezicht van de vrouw aan de tafel naast hen nog maar half te zien, vaag, als door een beslagen ruit. Het werd meteen een paar graden kouder, met een vochtige geur van nat gesteente die de geur van gebakken suiker verdrong. Iemand aan een andere tafel lachte en riep iets over "typisch Kaiser-weer", en een paar tafels verderop klonk gerinkel van bestek dat werd opgeruimd voordat het helemaal donker werd. De houten leuning van het terras voelde ineens klam aan onder Nouds vingers, druppeltjes die zich verzamelden en dan in een dun straaltje naar beneden liepen, en de verte was gewoon weg, alsof iemand de bergen achter een wit laken had weggeschoven.

Roos hield haar kompasje voor zich uit, boven de restjes appelmoes op haar bord.

"Hij doet raar," zei ze rustig, alsof ze het over de wolken zelf had.

Papa boog zich over haar schouder. De naald, die de hele dag rustig naar het noorden had gewezen, zwenkte een stukje opzij, aarzelde, en kwam niet meteen weer terug.

"Misschien is het het weer," zei Noud. "Vochtigheid, of zo. Dat kan met kompassen, denk ik."

"Denk je," herhaalde Ties, met een blik die zei dat hij dat zelf niet erg overtuigend vond klinken.

Roos zei niets, stopte het kompasje terug onder haar trui, tegen haar huid, en at haar laatste hapje appelmoes zonder er verder woorden aan te geven.

Na het eten liep het terras leeg, want de kou joeg iedereen naar binnen, naar de gelagkamer waar een houtkachel stond te loeien en een paar wandelaars kaartspelletjes speelden bij het licht van een olielamp. Het gezin bleef nog even buiten, met hun jassen dicht, om te kijken hoe de mist zich over de hele hut had gelegd. Je kon de rand van het dak nog net zien, en verder was alles wit-grijs, vochtig, alsof de hut in een wolk was geparkeerd in plaats van ertegenaan gebouwd.

"Het is net of we in een wolk wonen," zei Ties, met zijn hand uitgestoken om de mist aan te raken, wat natuurlijk niets opleverde behalve vochtige vingers.

"Voor één nacht wel, ja," zei Papa.

Even later scheurde de mist open, zomaar, zonder waarschuwing, en stond de rotswand er ineens weer, scherp en donker tegen een lucht die al bijna avondblauw was geworden. Een paar sterren stonden er al, klein en flauw, voordat de mist zich weer sloot en alles opnieuw wegviel in het grijs.

"Hij komt en gaat," zei Noud, die zijn camera had gepakt en op de mist richtte, wachtend tot het weer zou opentrekken. "Als ik geluk heb, film ik het precies op het goede moment."

Ze bleven nog een tijdje op de bank bij de deur zitten, met een kop warme chocolademelk die de beheerder had gebracht zonder dat iemand erom had gevraagd, "van het huis", zei hij, met een knipoog naar de kinderen. De mist trok nog een paar keer open en dicht, als een gordijn dat door de wind heen en weer werd bewogen, en elke keer dat het even helder was, wees Papa iets aan, een rotspunt hier, een streepje sneeuw daar dat nog over was van de winter.

"Dat gat daarboven," zei hij op een gegeven moment, en wees naar een inkeping tussen twee rotstoppen die net zichtbaar werd toen de mist even optrok, "dat is het Ellmauer Tor. De bergpas waar we morgenvroeg vlak langs lopen."

"Kunnen we er nu even heen?" vroeg Roos, die haar beker met beide handen vasthield voor de warmte.

"Het is bijna bedtijd," zei Mama.

"Heel even maar," zei Roos. "Om te kijken of de sterren er zijn."

Papa keek naar Mama, die haar schouders ophaalde op een manier die "vooruit dan" betekende, en zo liepen ze met zijn vijven de paar meter van de hut naar de rand van het pad, waar het terrein zich opende naar de bergpas. De grond was er vochtig van de mist, glibberig onder hun schoenen, en het rook er sterk naar nat gesteente en een beetje naar de rook van de houtkachel die uit de schoorsteen achter hen kringelde. Boven hen hing de mist opnieuw dik, met hier en daar een gaatje waar een enkele ster doorheen prikte, wit en scherp tegen het diepe blauw.

Bij het Ellmauer Tor zelf, een V-vormige opening tussen twee rotswanden, stond de wind net iets harder dan bij de hut, en er kwam een geluid mee dat klonk als lucht door een spleet, laag en aangehouden. Roos pakte het kompasje van onder haar trui vandaan en hield het op haar vlakke hand.

"Hij is warm," zei ze zacht. "Warmer dan bij het avondeten."

Noud, die zijn camera al aan had staan om de mist en de sterren vast te leggen, richtte hem nu op het kompasje, en toen weer omhoog naar de pas zelf.

"De naald wijst niet naar het noorden," zei hij, verbaasd, met zijn oog nog half op het schermpje. "Hij wijst daarheen." Hij wees met zijn vrije hand naar de opening in de rots.

Op dat moment schoof de mist voor de pas uiteen, langzaam, als een gordijn dat opzij werd getrokken door een onzichtbare hand. Door de opening viel een streepje sterrenlicht, zwak maar duidelijk, en in dat streepje leek iets te bewegen. Drie vormen, vaag, meer schaduw dan gedaante, die zich even aftekenden tegen het licht en toen weer oplosten in de mist die zich alweer sloot.

"Zie je dat?" fluisterde Ties, die zijn hand om Mama's mouw had geklemd zonder het zelf te merken.

Niemand antwoordde meteen. Roos hield haar adem in, haar ogen groot, het kompasje nog in haar uitgestoken hand.

"De Alpenzusjes," zei Roos uiteindelijk, heel zacht, alsof ze bang was dat harder praten ze zou wegjagen. "Zoals de ober vertelde. Op de Hohe Salve."

"Het kan ook gewoon mist zijn," zei Noud, maar zijn stem trilde een beetje, en hij hield de camera stevig vast, gericht op de plek waar de vormen waren geweest, ook al was er alweer niets te zien dan grijs.

Het geluid van de wind hield nog even aan, hoger nu, bijna als een dunne toon die je meer voelde dan hoorde, en toen zakte het weg, net zo plotseling als het was gekomen. De mist bleef dicht hangen voor de pas, ondoordringbaar, en het kompasje in Roos' hand werd langzaam weer koeler, tot het weer gewoon aanvoelde als een stukje koud metaal in de avondlucht.

"Heb je het?" vroeg Ties aan Noud, die de camera nog steeds omhooghield.

"Ik denk het wel," zei Noud. "Ik heb in elk geval gefilmd."

Papa stond er stil bij, zijn handen diep in zijn jaszakken, en zei niets. Mama sloeg een arm om Roos heen, die het kompasje weer onder haar trui liet glijden.

"Ik denk dat het de wind was, en de mist die net op het goede moment opentrok," zei Mama voorzichtig.

"Ik denk dat het de zusjes waren," zei Roos, zonder aarzelen.

"Misschien is dat wel hetzelfde," zei Papa, en meer wilde hij er niet over zeggen. Hij legde een hand op Nouds schouder. "Kom, het is koud. En morgen is er nog een heel stuk te lopen."

Terug bij de hut, in het licht dat door de ramen van de gelagkamer naar buiten viel, ging Noud op de bank zitten en speelde het fragment meteen af, met Ties en Roos die zich links en rechts van hem tegen zijn schouders drukten om mee te kijken. Op het schermpje was het vooral donker. Een streep grijs bewoog van links naar rechts, er was een korte flikkering van iets wits dat een ster kon zijn of gewoon een reflectie op de lens, en op de plek waar de drie vormen hadden gestaan, was eigenlijk niets te onderscheiden behalve een dikkere prop mist die net iets anders van vorm leek dan de rest.

"Zie je iets?" vroeg Ties, met zijn neus vlak bij het schermpje.

"Ik zie mist," zei Noud eerlijk, en spoelde het stukje nog eens terug. De tweede keer bekijken maakte het niet duidelijker. "En misschien iets wat op een schouder lijkt. Of gewoon een wolk die een beetje uitstulpt."

"Dat is toch al iets," zei Roos, tevreden met die uitleg.

"Bewaar het gewoon," zei Papa, die met een kop thee was komen aanlopen. "Dan kunnen we het thuis nog eens rustig bekijken, op een groter scherm."

Noud knikte en zette de camera uit, met het onbevredigende gevoel dat hij iets bijzonders had vastgelegd en tegelijk niets dat hij aan iemand anders kon bewijzen. Hij stopte het toestel in de zak van zijn jas en volgde de anderen de trap op, waar de treden onder hun voeten kraakten, elk net iets anders van toon, en waar achter een van de deuren zachtjes gesnurk klonk en achter een andere het geritsel van een slaapzak die werd rechtgetrokken.

In hun eigen kamer kroop iedereen in zijn bed, Roos onderin met het dekbed tot aan haar kin, Ties op het bed erboven met zijn opschrijfboekje nog even open op zijn buik voor hij het dichtklapte zonder er iets in te schrijven, en Noud op de bovenste matras met de camera binnen handbereik op het kussen naast zijn hoofd. Papa deed het licht uit en het luik voor het raam half dicht, zodat er nog net een streepje van de gang naar binnen viel.

Buiten hoorde je de wind om de hoek van de hut fluiten, en af en toe tikte een luik ergens verderop tegen zijn kozijn. Het was een ander soort stilte dan op de camping, dichter, zonder het geluid van andere gezinnen of een radio in de verte, alleen de wind en heel soms een voetstap op de gang.

"Denken jullie dat ze ons gezien hebben?" vroeg Roos, in het donker, haar stem al een beetje slaperig.

"Wie?" vroeg Ties, met zijn ogen al bijna dicht.

"De zusjes."

"Misschien wisten ze al dat we zouden komen," zei Ties, geeuwend. "Dat kompasje wist het volgens mij ook al."

Niemand had daar een weerwoord op, en het bleef een tijdje stil, op de wind na. Mama neuriede zacht vanaf de deuropening, waar ze nog even was blijven staan om te kijken of iedereen goed lag, een wijsje van Lichtje branden, laag en langzaam, zonder de woorden erbij te zingen, alleen de melodie die door de kleine kamer zweefde en tegen de houten wanden leek te blijven hangen.

"Nog een keer," mompelde Roos, al half weg.

Mama neuriede het nog een keer, zachter dit keer, tot haar stem wegstierf in het geluid van de wind buiten, en toen was het enige geluid in de kamer nog de adem van drie kinderen die stuk voor stuk in slaap vielen, Roos het eerst, met haar hand nog losjes om het kompasje onder haar kussen, dan Ties, die halverwege een zin over marmotten in slaap viel zonder hem af te maken, en als laatste Noud, die nog een tijdje naar het plafond had liggen staren, luisterend naar de wind, voor ook zijn ademhaling langzaam en gelijkmatig werd.

Papa bleef nog even wakker liggen, met zijn handen achter zijn hoofd, en luisterde naar de mist die buiten om de hut streek, onzichtbaar in het donker maar voelbaar aan de manier waarop het geluid van de wind soms wegviel en dan weer aanzwol. Hij dacht aan het gordijn van mist dat bij de pas was opengeschoven, aan de drie vage vormen die er misschien hadden gestaan, of misschien niet, en aan zijn dochter die naast hem in de kamer met haar hand om een oud stukje koper sliep alsof daar niets vreemds aan was. Hij wist het antwoord niet, en voor het eerst die vakantie vond hij dat prima. Buiten de hut trok de mist nog een laatste keer open en dicht over de rotswand, zonder dat iemand het zag, en toen was het stil, op de wind na, tot de ochtend.

↑ Overzicht ← Hoofdstuk 6 Hoofdstuk 8 →
⬇ Het hele boek als Word-document
Heenreis Oostenrijk Italië Terugreis Streken Voorleesverhaal Live Woordjes Praktisch Links