Zomer ’26
🥾 Hoofdstuk 6 van 10

De lus langs de steencirkel en de lange klim naar de hut

🎧 Liever luisteren? Jolanda leest voor

⬇ mp3

Vier rugzakken stonden al in de zon te wachten voordat er iemand goed en wel klaar was met ontbijten, en uit een ervan stak een washandje dat niemand er nog in terug wilde proppen omdat het nog nat was van de vorige dag. Op Camping Schlossberg Itter rook de ochtend naar koffie en naar het gras dat de eigenaar er een dag eerder had gemaaid, en de Wilder Kaiser stond er scherp bij tegen een lucht zonder wolken.

"Vandaag is geen klein uurtje," zei Papa, terwijl hij de wandelstokken uit de berging van de caravan trok en ze tegen de picknicktafel liet zakken met een tik van metaal op hout. "Vandaag lopen we een lus. Eerst naar beneden het bos in, dan terug, dan pas omhoog naar de hut."

"Een lus," zei Ties, die zijn schriftje al open had liggen op de tafel, met zijn potlood erbovenop. "Dus we lopen twee stukken."

"Twee stukken en dan nog een derde stuk, boven de hut, als we tijd over hebben," zei Papa.

Ties schreef er iets bij dat hij eerst zelf nog even bekeek voor hij het definitief opschreef: STEENCIRKEL, en daaronder ALM MET GEITEN, met tussen de twee een streepje dat volgens hem "de route" voorstelde. Zijn lijst met bergen die inmiddels twaalf regels lang was, bladerde hij nog even terug, van de Hohe Salve naar boven, voor hij de bladzijde weer omsloeg naar iets leegs.

"En de hoogste top staat er ook op vandaag," zei hij. "De Ellmauer Halt. Die zien we de hele dag."

"Weet ik," zei Noud, die zijn actioncam al aan het riempje om zijn nek had hangen en de lens met zijn duim schoonwreef. "Ik ga hem de hele dag filmen. Van elke kant."

Mama liep intussen de tafel af met een mentale lijst die ze half hardop opnoemde. Contant geld in het zakje met het drukknoopje, voor het geval er onderweg iets te betalen viel waar geen kaartlezer voor was. Zonnebrandcrème, pleisters, de broodjes die ze de avond ervoor al had gesmeerd en in folie had gewikkeld. Ze telde de waterflessen op haar vingers en vulde de laatste twee bij aan de buitenkraan tot het water over haar hand gutste en koud tegen haar pols klotste.

"We zijn maar één nacht weg," zei ze, "maar we lopen wel een hele dag om er te komen. Dus alles wat je vandaag nodig hebt, moet mee."

Roos zat op de onderste tree van de caravan met het kompaskistje in haar schoot en de gesp van haar sandaal nog los. Ze klapte het deksel open, keek naar de naald die rustig naar het noorden wees, en klikte het weer dicht voor ze eindelijk de gesp vastmaakte.

"Hij is nog gewoon een kompasje," zei ze, alsof daar iemand aan getwijfeld had.

"Dat is-ie ook gewoon," zei Noud.

"Voor nu," zei Roos, met een blik die meer wist dan ze wilde zeggen, en stond op om haar rugzakje, met daarin alleen haar eigen waterflesje en een half opgegeten rol snoepjes, aan haar schouders te hangen.

Ties propte zijn eigen reservetrui in het zijvak van zijn rugzak, drukte er met zijn vlakke hand tegenaan tot de rits weer dichtging, en controleerde of zijn potlood scherp genoeg was door de punt tegen zijn duim te houden.

"Die haalt het de hele dag," zei hij tevreden.

"Ik hoop het," zei Mama. "Want een puntenslijper hebben we niet bij ons."

Papa deed de deur van de caravan op slot, draaide de sleutel twee keer om en stak hem in zijn broekzak. Bij de tent van de buren stond een man met een handdoek om zijn nek zijn tanden te poetsen, en hij zwaaide met zijn vrije hand toen het gezin met de rugzakken naar de auto liep.

"Eén nachtje op de hut," riep Papa naar hem.

"Veel plezier boven," riep de man terug, met tandpasta nog aan zijn mondhoek. "Als het weer een beetje meezit, heb je daarboven het mooiste uitzicht van de vakantie."

Ze reden weg met de Tesla, de caravan achter zich latend op de standplaats. Roos keek door het raampje nog even om naar het witte dak dat kleiner werd tussen de bomen, en drukte het kompaskistje tegen haar borst.

De rit naar de parkeerplaats duurde ongeveer vijfentwintig minuten, eerst over de weg door Itter, daarna een stuk verder het dal in, langs Ellmau, tot Papa bij een bordje met Wochenbrunnweg de auto liet afremmen en linksaf sloeg. Aan één kant van de weg lag een wei met koeien die met hun koppen in het gras stonden, aan de andere kant klom het bos op tegen de heuvel, en boven dat bos uit stak, telkens als de weg een bocht maakte, de kartelrand van de Wilder Kaiser.

"Wanderstartplatz Wochenbrunner Alm," las Mama voor van haar telefoon. "Dat is ons startpunt."

"En eindpunt van de eerste lus," zei Ties, die het adres meteen ook opschreef, Wochenbrunnweg vierenveertig, met kleine cijfertjes onder elkaar.

Bij de parkeerplaats stond een slagboom met daarnaast een grijze automaat, een gleuf voor munten en een knop die met een klein zoemend geluid een kaartje uitspuwde. Papa stapte uit, drukte op de knop, en las het bedrag dat op het schermpje verscheen.

"Vijf euro," zei hij, en liet de munten een voor een in de gleuf glijden.

"Vijf euro om te mogen parkeren," zei Noud, die het vanaf de achterbank filmde door het open portier.

"Die krijgen we terug," zei Papa. "Als waardebon, bij de alm zelf. Straks lunchen we hier, en dan is dit kaartje geen parkeergeld meer, maar drinkgeld."

"Kunnen we er iets lekkers voor kopen," vroeg Ties meteen.

"Als er iets lekkers is, zeker."

De slagboom ging omhoog met een klik, en Papa parkeerde tussen een camper met Duits kenteken en een rij wandelstokken die tegen een houten hek te drogen stonden. Buiten rook het naar gemaaid gras en, heel licht, naar koeienmest uit de wei verderop. Papa haalde de stokken uit de achterbak, en Roos wilde er weer geen, haar handen liever vrij voor het kompasje.

"Eerst naar beneden," zei Papa, wijzend naar een bordje bij de rand van het bos waar een veertien op stond, met een pijl die linksaf wees. "Pad veertien. Daar begint onze ochtendlus."

Het pad liep meteen het beukenbos in, breed genoeg voor twee mensen naast elkaar, en het licht viel er in vlekken door het bladerdak, groen en bewegend telkens als de wind door de kruinen streek. De bodem was zacht van jaren bladval, en hier en daar staken wortels als dikke aders boven de grond uit. Het pad steeg licht, nauwelijks voelbaar in het begin, meer een gevoel dan een helling.

"Waarom lopen we eerst naar beneden als we straks toch omhoog moeten," vroeg Noud, die naast Papa liep met de camera al aan.

"Omdat we straks pas echt omhoog gaan, naar de hut," zei Papa. "Dit stukje nu is vlak, met misschien een klein dalletje erin. Het echte klimmen bewaren we voor na de lunch."

Ties liep voorop, met zijn schriftje in zijn hand in plaats van in zijn rugzak, klaar om iets op te schrijven zodra er iets de moeite waard was. Hij telde de minuten in zijn hoofd, iets wat hij niemand vertelde, en na een tijdje vroeg hij hardop hoe ver het nog was.

"Ongeveer nog tien minuten," zei Mama. "Dertig in totaal, zei het bordje."

Het bos rook er koel en een beetje muf, met iets zoets erdoorheen van rottend blad, en het geluid van hun voetstappen werd gedempt door de zachte bodem tot bijna niets. Af en toe kraakte een tak onder een schoen, en een keer vloog er een vogel met een klapperend geluid recht voor hen op, verdwenen voor iemand kon zeggen wat het was geweest.

"Schrik," zei Roos, die haar hand steviger om die van Mama had geklemd.

"Gewoon een vogel," zei Mama. "Die schrok net zo hard van ons."

Na ongeveer een half uur werd het bos aan de rechterkant iets dunner, en tussen de laatste stammen door zagen ze een open plek waar het zonlicht in volle kracht op de grond viel, in scherp contrast met de schaduw waarin ze net nog hadden gelopen. Ties, die als eerste het open stuk bereikte, bleef stokstijf staan.

"Kijk dan," zei hij, met een stem die een tikje hoger klonk dan normaal.

Op de open plek lag een cirkel van rotsblokken, groot, rond, sommige zo zwaar dat er duidelijk twee mensen voor nodig waren geweest om ze op hun plek te krijgen. De stenen lagen niet willekeurig, maar precies in een ring, dicht tegen elkaar aan, met in het midden een kale plek gras waar de zon recht op scheen. Er stonden al een paar andere wandelaars bij de rand, een stel dat een foto van elkaar maakte en een man die een steen optilde en hem, na een moment van twijfel, ergens in de rij bijlegde.

"De Ellmauer Steinkreis," zei Papa, die zijn stok tegen een boom liet leunen. "Wandelaars maken hem, jaar na jaar. Iedereen die hier langskomt, mag een steen toevoegen."

"Wie is er dan begonnen," vroeg Ties, die zijn schriftje al open had.

"Dat weet volgens mij niemand precies meer," zei Papa. "Op een gegeven moment lag er een eerste steen, en toen nog een, en toen bleven mensen het doen."

Noud liep er langzaam omheen, zijn camera laag gehouden zodat de stenen in silhouet tegen de lucht kwamen te staan, en telde binnensmonds hardop, verloor de tel bij ergens in de twintig en begon opnieuw. Roos liep naar de rand van de cirkel, ging op haar hurken zitten bij een steen die net iets kleiner was dan de rest, en legde haar hand erop. De steen voelde koud aan, ondanks de zon die er al een tijdje op scheen, en glad, alsof duizenden handen hem al hadden aangeraakt voor de hare.

"Mogen wij ook een steen leggen," vroeg ze.

"Als je er eentje vindt die past," zei Mama.

Roos zocht tussen het gras aan de rand van de open plek, vond een steen ter grootte van haar vuist, grijs met een dunne, lichtere ader erdoorheen, en droeg hem met beide handen naar de cirkel. Ze zocht een tijdje naar de juiste plek, alsof er maar één goede plek voor deze ene steen kon bestaan, en legde hem uiteindelijk tussen twee grotere blokken in, waar hij precies paste zonder te wiebelen.

"Daar blijft-ie liggen," zei ze, tevreden, en veegde haar handen af aan haar broek.

Ties schreef in zijn schriftje, met kleine, drukke letters: ELLMAUER STEINKREIS, en daaronder, na even nadenken, een zin die hij zelf hardop voorlas voor hij hem afmaakte. "Een cirkel die mensen zelf hebben gemaakt. Niet één keer. Steeds weer."

"Dat klinkt goed," zei Noud, die het schriftje even over Ties' schouder bekeek zonder er iets aan toe te voegen.

Ze bleven een tijdje op de open plek, waar de zon warmer aanvoelde dan tussen de bomen, en Papa wees op de verte, waar tussen de stammen door opnieuw een glimp van de Ellmauer Halt zichtbaar werd, hoger nu dan bij de camping, met een lange, dunne wolk die er als een sjaal voor langsschoof.

"Terug dezelfde weg," zei Papa, na een blik op zijn horloge, "of via de paden tweeëntwintig en dertien. Die komen ook weer bij de alm uit."

"Hetzelfde pad is sneller," zei Ties.

"Klopt," zei Papa. "En we hebben straks nog een heel stuk te klimmen. Dus dezelfde weg terug."

De terugweg door het bos ging vlotter dan de heenweg, misschien omdat het pad al bekend aanvoelde, misschien omdat de gedachte aan lunch iedereen iets sneller liet lopen. Ze kwamen na een klein half uur weer bij de parkeerplaats aan, in totaal iets meer dan twee kilometer verder dan waar ze waren begonnen, met honderdtwintig hoogtemeter op en af samen, precies zoals het bordje bij het begin had beloofd.

Bij de Wochenbrunner Alm zelf stond een groot terras in de zon, met houten tafels waarvan sommige al bezet waren door andere wandelaars, en een speeltuintje ernaast met een wip en een klimtoestel van boomstammen. Papa liet het waardebon-kaartje aan de vrouw achter de toonbank zien, die het bedrag zonder iets te vragen van de rekening afhaalde.

"Vijf euro korting," zei ze, in een Duits met een zwaar Tiroolse klank. "Van de slagboom naar de tafel."

"Zei ik toch," zei Papa tegen Ties, die dat blijkbaar toch nog had willen controleren.

Ze aten er broodjes van de alm zelf, met kaas die naar iets kruidigs smaakte dat niemand precies kon benoemen, en Roos kreeg een glas appelsap dat ze in kleine slokjes dronk terwijl haar ogen al naar het Kneipp-bad naast het terras dwaalden, een laag, rond muurtje van steen met daarbinnen water dat helder en koud oogde, met een klein stroompje dat er voortdurend nieuw water in liet lopen. Op een bordje ernaast stond, in het Duits, dat het goed was voor moede benen.

"Wij hebben geen moede benen," zei Ties, die zijn schoenen al aan het losmaken was.

"Nog niet," zei Mama. "Na vanmiddag misschien wel."

Ze rolden hun broekspijpen op en stapten om de beurt over de rand het water in. Het was zo koud dat Roos meteen een gilletje liet horen en op één been ging staan, met haar armen wijd voor haar evenwicht, voor ze toch weer met beide voeten in het water ging staan omdat het volgens haar "wel een beetje wende". Ties bleef er langer in staan dan hij zelf had verwacht, zijn tenen wit wegtrekkend van de kou, en beweerde ondertussen dat hij er niets van voelde.

"Je gezicht zegt iets anders," zei Noud, die zijn eigen voeten er net in had gezet en meteen weer optrok.

"Mijn gezicht liegt dan," zei Ties, met op elkaar geklemde kaken.

Mama zat op de rand met haar voeten er half in, half eruit, en liet het water met een golfje langs haar kuiten spoelen. "Dit is precies wat je benen nodig hebben na zo'n lus," zei ze. "Straks voelt de klim lichter."

Na het Kneipp-bad, met droge sokken weer aan, liepen ze naar het kleine wildpark aan de rand van het terrein, waar achter een laag hek een paar herten met hun koppen tussen het gras stonden en, iets verderop, twee berggeiten op een kunstmatige rotspartij van houten balken stonden te balanceren, met hun hoeven precies op de rand.

"Kijk hoe ze daar staan," zei Ties, die zijn schriftje er even bij pakte om HERTEN EN GEITEN, WOCHENBRUNNER ALM op te schrijven, zonder verdere uitleg waarom dat de moeite van het opschrijven waard was.

Een van de geiten keek recht naar hen, kauwde langzaam door, en verloor toen alle interesse om verder te grazen. Roos hield haar hand door het hek, niet dicht genoeg om het dier aan te raken, maar dicht genoeg om te doen alsof.

"Hij mag zo dichtbij komen als hij wil," zei ze.

"Hij wil niet," zei Noud, die het tafereel filmde zonder veel hoop op actie.

Toen het middaguur allang voorbij was en de zon recht boven het dal stond, verzamelde Papa iedereen weer bij de rugzakken die tegen het hek van de speeltuin hadden staan wachten. Hij wees naar een tweede bordje, verderop bij de rand van het terrein, waar de route naar de Gruttenhütte en de Gaudeamushütte samen op stonden aangegeven.

"Nu komt het echte werk," zei hij. "Dit is de mooie opstijging."

Het pad, aangeduid als 825, voerde eerst weer een stuk beukenbos in, vergelijkbaar met de ochtendlus maar duidelijk steiler vanaf de eerste meters, met wortels die als treden dienden op de steilste stukjes. Ties liep voorop, zijn stok nu voor het eerst die dag echt als steun gebruikend in plaats van als speeltuig, en telde de stappen tussen twee bochten, tot hij de tel kwijtraakte bij een kever die over het pad liep.

Na een meter of vierhonderd kwamen ze bij een splitsing waar het bordje twee richtingen aangaf, rechtdoor naar de Gruttenhütte, en een smaller pad naar rechts met een bordje waarop Gamswegl stond, en daaronder, kleiner, 812a.

"Dit is de tweede splitsing," zei Ties, die de eerste, kleinere, een stuk eerder al had geteld zonder dat iemand er iets over had gezegd.

"Klopt," zei Papa. "Hier gaan we rechtsaf."

Het Gamswegl was smaller dan het pad daarvoor, met aan één kant een helling die iets steiler afliep dan wat ze die ochtend hadden gezien, en de bomen werden geleidelijk lager en spaarzamer naarmate ze verder klommen. Ergens halverwege begon Ties zachtjes Cheerio te neuriën, half de melodie, half zelfverzonnen woorden, en Noud viel na een paar regels in met een eigen versie die niet helemaal op de maat paste maar er toch bijhoorde, tot de klim weer wat steiler werd en het neuriën vanzelf overging in zwaardere ademhaling.

"Dit is wel meer dan een klein uurtje," zei Noud, buiten adem, tegen zijn camera, die hij nog net omhoog had weten te houden.

"Twee komma twee kilometer en tweehonderdtwintig hoogtemeter," zei Ties, die dat kennelijk ergens had opgevangen en nu, zonder op te kijken van het pad onder zijn voeten, uit zijn hoofd opdreunde. "Anderhalf uur, zeiden ze."

"Op ons tempo," zei Papa. "Volwassenen doen het sneller."

"Wij zijn ook mensen," zei Ties, enigszins beledigd door de suggestie dat kindertempo een mindere vorm van lopen zou zijn.

Roos liep tussen Mama en Papa in, met het kompasje in haar rechterhand en haar andere hand losjes in die van Mama, en zong af en toe een stukje van het refrein mee zonder de rest van de tekst goed te kennen. Op een plek waar het pad even vlakker werd, tussen twee laaghangende bergdennen door, hield ze plotseling stil en hield het kistje omhoog.

"Hij doet niks bijzonders," zei ze, alsof ze dat eigenlijk had verwacht.

"Misschien straks nog," zei Mama, die haar hand een kneepje gaf.

Na ongeveer drie kwartier klimmen veranderde de ondergrond. Het pad, dat tot dan toe uit aarde en losse stenen had bestaan, ging over in een strook fijner, losser gruis, scherp gerand en grijs, dat onder elke stap een stukje meeschoof. Aan beide kanten van het pad lag het puin verspreid tot aan de rotswand, en de begroeiing was hier ijl, met alleen wat laag gras dat tussen de stenen probeerde te groeien.

"Voorzichtig hier," zei Papa, die zich vooroverboog en Roos' hand steviger vastpakte. "Dit stuk is smal."

Roos liep aan zijn hand, met kleinere pasjes dan daarvoor, en keek af en toe naar beneden naar de plek waar haar voeten neerkwamen, tussen de stenen die onder haar gewicht net iets bewogen. Vanaf het midden van het puinveld was, voor het eerst die dag, in de verte al iets te zien van hun bestemming, een klein, grijsbruin dak tegen de rotswand aan, ver weg nog, maar duidelijk.

"Daar," zei Noud, die zijn camera erop richtte en inzoomde tot het beeld trilde. "Dat is hem."

"De Gaudeamushütte," zei Ties, die zijn schriftje niet durfde te pakken op het smalle stuk en de naam in gedachten herhaalde tot hij hem straks kon opschrijven.

Verderop, waar het puinveld weer overging in vaster pad, lag iets dat eerst leek op een verzameling losse stenen, maar bij nadere blik duidelijk regelmatiger was dan het gruis eromheen. Een paar lage muurtjes, niet hoger dan tot Roos' middel, verweerd en met mos in de voegen, staken net boven het gras uit, in een vorm die ooit een gebouw moest zijn geweest.

"Wat is dat," vroeg Ties, die was blijven staan.

Papa liep ernaartoe, legde zijn hand op een van de muurtjes en liet hem over de ruwe steen glijden.

"Dit is waar de eerste Gaudeamushütte stond," zei hij. "Niet waar we straks aankomen. Hier, op deze plek."

"En wat is er dan gebeurd," vroeg Noud, die zijn camera had laten zakken.

"In negentien vierentwintig kwam er een lawine naar beneden," zei Papa. "Die veegde de hele hut weg. Er bleef bijna niets van over. Alleen deze paar muurtjes, die je nu nog net kan zien tussen het gras."

"Waren er mensen binnen," vroeg Roos, die haar hand nog in die van Papa hield.

"Dat weet ik niet zeker," zei Papa. "Maar de hut die er nu staat, is niet deze. Die is drie jaar later gebouwd, in negentien zevenentwintig, op een andere plek, verderop en steviger. Daar gaan we zo naartoe."

Het bleef even stil, met alleen de wind die zachtjes tussen de rotsen streek en, ergens verderop, het getik van een steentje dat losraakte en een klein stukje wegrolde. Ties liep om de muurtjes heen, raakte er eentje met zijn vingertoppen aan, en keek naar de plek waar volgens Papa ooit een dak had gestaan.

"Dan is dit een soort graf," zei hij zacht. "Van een hut."

"Zo kun je het ook zien," zei Papa. "Of gewoon een plek die herinnert aan wat er is gebeurd."

Roos ging op haar hurken zitten bij het laagste stukje muur en legde er, zonder dat iemand het haar vroeg, een klein steentje bovenop, net zoals ze eerder die ochtend bij de Steinkreis had gedaan.

"Voor de hut die er niet meer is," zei ze.

Niemand zei daar iets op terug. Mama legde een hand op Roos' schouder, en na een paar tellen stilte pakte Papa zijn stok weer op en zei dat het tijd werd om verder te lopen, want de zon stond al lager dan hij een uur geleden had gestaan.

Het laatste stuk van de klim ging over vaster pad, tussen de laatste kromgegroeide dennen door, met de bodem die van los gruis weer overging in vastere aarde met steentjes. De lucht rook er droger, met iets scherps van kruiden die tussen de rotsen groeiden, en de Ellmauer Halt stak, telkens als het pad een bocht maakte, duidelijker en dichterbij boven de rotswand uit, met een streep sneeuw die nog in een kloof lag ondanks de zomerhitte.

"Bijna," zei Papa, die was blijven staan om op zijn horloge te kijken. "Nog een meter of tweehonderd."

Toen ze de laatste bocht om kwamen, waar het pad tussen twee rotsblokken smaller werd, lag de Gaudeamushütte ineens voor hen, tegen de rotswand aan, met een dak dat blonk in de namiddagzon en ramen die het licht terugkaatsten.

"Twaalfhonderddrieënzestig meter," zei Ties meteen, met zijn schriftje eindelijk weer open. "Dat is hoger dan vanochtend bij de steencirkel."

Op het terras voor de hut stonden lange houten tafels, half in de zon, half in de schaduw, met een paar wandelaars die net hun schoenen aan het losmaken waren. Uit de openstaande deur kwam een geur van koffie en, vager, van soep die al stond te trekken. Een hond lag languit op de houten vloer en hief zijn kop maar half op toen het gezin dichterbij kwam.

Bij de deur kwam iemand van het personeel naar buiten om ze welkom te heten en de weg naar binnen te wijzen, met een korte vraag naar hun naam en de mededeling dat de kamer voor die avond al klaarstond. Ze zetten hun rugzakken tegen de bank bij de deur, lieten de riemen van hun schouders glijden, en voelden voor het eerst die middag hoe licht hun rug zonder het gewicht aanvoelde.

"We zijn er," zei Mama, met een zucht die meer opluchting dan vermoeidheid verried.

"En het is nog geen avond," zei Noud, die op zijn horloge keek.

Ties ging op de bank zitten, sloeg zijn schriftje open en zette met grote letters een vinkje bij GAUDEAMUSHÜTTE, met daaronder, kleiner, de tijd waarop ze waren aangekomen.

Binnen was het koeler dan buiten, met een houten trap die kraakte onder de voetstappen van iemand die net naar boven ging, en de geur van hout en zeep die in de gangen leek te hangen. Ze bleven er niet lang, alleen lang genoeg om te weten waar hun kamer was en de rugzakken daar neer te zetten, voor Papa alweer terug naar het terras liep om te kijken hoeveel licht er nog over was.

"We hebben nog tijd," zei hij, terug bij de anderen. "En volgens mij ook nog energie."

"Ik heb nog heel veel energie," zei Ties, die van de bank opsprong alsof hij de hele klim net had verzonnen.

"Ik ook," zei Roos, die het kompasje weer in haar hand had genomen en het even omhooghield tegen het licht.

Ze liepen vanaf het terras verder, voorbij de rand waar ze eerder al even hadden gekeken, het pad op dat als 812 stond aangegeven en dat boven de hut uit verder de berg in liep. Het pad voerde eerst over een stuk bergweide, met kort, taai gras waar hier en daar een paar kleine bloemetjes tussen groeiden, wit en geel, dicht tegen de grond aan alsof ze de wind zo min mogelijk wilden voelen. Verderop werd het gras vervangen door lage bergdennen, struikvormig en dicht opeen, nauwelijks hoger dan Roos zelf, die er met haar vingers langs de naalden streek terwijl ze voorbijliep.

"Prikkerig," zei ze, en trok haar hand meteen weer terug.

"Dat zijn bergdennen," zei Papa. "Die groeien hier laag, plat tegen de grond, omdat de wind hier hoger op de berg te hard is voor iets dat rechtop wil staan."

Het pad kronkelde tussen de struiken door, soms zo smal dat ze achter elkaar moesten lopen, en na een meter of vijfhonderd opende het landschap zich naar een kom van los gesteente die tussen twee rotswanden lag, grijs en kaal, met hier en daar een restje sneeuw dat zich in een schaduwplek had weten te handhaven.

"Dat is het Kübelkar," zei Papa, die was blijven staan om ernaar te wijzen. "Een puinketeldal. Al die stenen zijn hier van de rotsen boven ons afgebroken, jaar na jaar, en hier blijven liggen."

Boven het Kübelkar, hoog tegen de lucht, stak de inkeping van het Ellmauer Tor uit tussen twee rotspieken, dichterbij nu dan ze hem eerder die middag vanaf het terras hadden gezien.

"Daar lopen we morgen doorheen," zei Mama.

"Kunnen we er nu al bijna heen," vroeg Roos.

"Bijna," zei Papa. "Nog een stukje verder, en dan draaien we om, want de zon zakt al."

Ze liepen tot aan de rand van het puinveld, waar de stenen te los en te instabiel werden om zonder klimspullen verder te gaan, en bleven daar staan, met de rotswand die boven hen uittorende en de Ellmauer Halt, hoog boven alles, met zijn top al een beetje goudkleurig van het late licht.

"Tweeduizend driehonderdvierenveertig meter," zei Ties, die zijn schriftje uit zijn rugzak had gehaald en het getal nog eens overschreef, deze keer zonder vraagteken erachter. "En wij staan nu op meer dan dertienhonderd."

"Dat scheelt nog steeds ruim duizend meter," zei Noud, die het uitgerekend had zonder er lang over na te denken.

"Dat is heel veel," zei Roos, die naar boven keek met haar hand boven haar ogen tegen de laatste zon.

Papa hurkte naast een groot rotsblok en wees Ties op een paar kleine sporen in het gruis, ovaal, met korte klauwafdrukken ervoor.

"Zou dat een gems zijn geweest," vroeg Ties, die zijn vinger vlak boven het spoor hield zonder het aan te raken.

"Zou kunnen," zei Papa. "Die leven hier, hoger dan de marmotten."

"Misschien zien we er nog een," zei Ties hoopvol, zijn ogen al zoekend langs de richels boven hen.

"Of een marmot," zei Noud. "Die houden hier vast ook wel van hoogte."

Ze bleven nog een tijdje bij de rand van het Kübelkar zitten, op een paar platte stenen die de dag lang in de zon hadden gelegen en nog warm aanvoelden onder hun handen, en keken zwijgend naar de schaduw die langzaam over het puinveld schoof, eerst alleen aan de rand, toen breder, tot de hele kom in de schemer van de rotswand kwam te liggen terwijl de top van de Ellmauer Halt nog een tijdje in het licht bleef staan, alsof hij nog niet klaar was voor de avond.

Roos hield het kompasje in haar hand, de naald rustig naar het noorden, en dacht heel even aan de zusjes waarover de oude ober bij de Hohe Salve had verteld, aan bergen die groot genoeg waren voor een heleboel verhalen, maar zei er niets over, want de lucht begon kouder te worden en Papa stond al op met de mededeling dat het tijd was om terug te lopen.

"We hebben het net op tijd gehaald," zei Mama, die naar de lucht keek waar het licht al begon te kantelen naar een zachter, oranje soort geel.

Ze liepen terug over het pad tussen de bergdennen, langs de bergweide waar het gras al iets vochtiger aanvoelde onder hun schoenen dan een uur eerder, en zagen de Gaudeamushütte al van ver, met een lamp die net was aangestoken bij de deur en een streepje rook dat dun uit de schoorsteen kringelde. Ties liep voorop, zijn schriftje weer dicht maar nog in zijn hand, en telde de laatste meters hardop terug naar nul, tot ze de bank bij de deur weer bereikten waar hun rugzakken nog stonden te wachten, precies zoals ze ze hadden achtergelaten.

↑ Overzicht ← Hoofdstuk 5 Hoofdstuk 7 →
⬇ Het hele boek als Word-document
Heenreis Oostenrijk Italië Terugreis Streken Voorleesverhaal Live Woordjes Praktisch Links