Zomer ’26
💧 Hoofdstuk 5 van 10

Blote voeten, bruisend water en een fluitje tussen de rotsen

🎧 Liever luisteren? Jolanda leest voor

⬇ mp3

Een emmer kletterde tegen de treeplank van de caravan, gevolgd door een tweede emmer en het geluid van Ties die "toch nodig" achter zich aan sleepte, een net vol waterschoentjes die hij de avond ervoor stuk voor stuk had gepast en weer uitgetrokken tot iedereen precies de goede maat had. Op Camping Schlossberg Itter was het kwart voor negen, de dauw nog niet helemaal van het gras, en de Wilder Kaiser stond fris en scherp tegen de lucht alsof iemand hem 's nachts had schoongeveegd.

"Waterschoenen, handdoeken, en voor de zekerheid een droge trui," zei Mama, terwijl ze de rugzak dichtritste en met haar knie tegen de klep drukte om hem toe te krijgen. "Het water bij Hexenwasser is niet warm."

"Hoe koud dan," vroeg Noud, die zijn actioncam al aan het riempje om zijn nek had en de lens met zijn duim schoonwreef.

"Bergwater," zei Papa. "Reken maar uit."

Roos zat op de treeplank met het kompaskistje op haar knieën en de gesp van haar sandaal nog los. Ze dacht aan de oude ober van gisteren, op het terras bij de Hohe Salve, en aan de drie zusjes waarover hij had verteld, de bergwachtsters met namen die hij fluisterend had uitgesproken alsof de wind ze kon meenemen als hij te hard praatte. Ze had er vannacht nog even aan liggen denken, in het donker van de caravan, met het kistje naast haar kussen. Nu klikte ze het deksel open, keek naar de naald die rustig naar het noorden wees, en klikte het weer dicht.

"Waar gaan we vandaag heen," vroeg ze, terwijl ze eindelijk de gesp van haar sandaal vastmaakte.

"Naar een survivalpad met water," zei Papa, "en daarna een kloof en een meer."

"Alle drie op één dag?"

"Alle drie op één dag," zei Mama. "Dus eet je brood nu maar snel op, want straks is er geen tijd meer."

Ties zat intussen op de onderste tree met zijn waterschoentjes al aan, allebei de veters in een knoop die hij zelf had gelegd en die er verdraaid ingewikkeld uitzag, meer een lus dan een strik. Hij had zijn kastanjecollectie van vorige week doorgekeken en er eentje uitgezocht om mee te nemen, "voor het geval er onderweg iets mee moet gebeuren," verklaarde hij, zonder verder uit te leggen wat dat zou kunnen zijn.

"Wat voor iets," vroeg Noud.

"Dat zie ik dan wel," zei Ties, en stopte de kastanje in zijn broekzak alsof de kwestie daarmee was afgehandeld.

De rit naar het gebied bij Söll en Scheffau duurde iets meer dan twintig minuten, over wegen die zich langs de flank van de bergen omhoog slingerden, met aan de ene kant een laag muurtje en aan de andere kant een helling vol dennen die steil naar beneden liep. Ties telde haarspeldbochten hardop, tot elf, en gaf het toen op omdat Noud zei dat hij toch de tel kwijt was geraakt bij bocht zeven.

"Ik was helemaal niet kwijt," zei Ties. "Ik was even stil."

"Twee minuten stil is kwijt."

"Twee minuten nadenken is iets anders dan kwijt zijn."

Papa zette de auto op de parkeerplaats bij Hexenwasser, tussen een bus met Nederlands kenteken en een gezin dat net hun wandelschoenen aan het strikken was op de rand van hun kofferbak. Vanaf de parkeerplaats voerde een breed pad omhoog het bos in, met houten bordjes langs de route waarop een heks met puntmuts stond afgebeeld, wijzend naar het water.

Bij de ingang van het parcours trokken ze hun schoenen uit. Het grind onder de blote voeten was scherp, en Roos maakte kleine hupjes van steentje naar steentje tot ze bij de eerste houten drempel kwam, waar het pad overging in een reeks planken die door een ondiepe stroom liepen. Het water dat eroverheen kabbelde, kwam recht uit een bergbeek, en toen Ties er met zijn tenen in stapte, trok hij ze meteen weer terug alsof hij op een brandnetel had getrapt.

"Koud," zei hij, met een stem die een octaaf hoger klonk dan normaal.

"Zei ik toch," zei Mama.

"Ik zei niet dat je het mis had. Ik zei alleen koud."

Even verderop was een klein bassin uitgegraven in het pad, met daaromheen een rand van gladde keien, en daarin lagen tientallen houten balletjes die door een goot naar binnen kwamen rollen zodra iemand aan een pomp trok. Roos ontdekte al snel dat als je twee balletjes tegelijk liet vallen, ze met een licht getik tegen elkaar botsten voor ze uit elkaar dreven, en ze bleef er minutenlang mee bezig, tellend hoeveel keer het lukte om ze precies tegelijk te laten vallen.

"Zeven van de tien," riep ze naar niemand in het bijzonder, "dat is best goed."

Verderop stond een groot houten waterrad, aangedreven door een emmertjeslift die kinderen zelf konden vullen door een hendel over te halen. Noud filmde het rad van dichtbij, het water dat over de schoepen liep en met een plens in de bak eronder viel, en liet zijn stem eroverheen zakken tot fluistertoon.

"Kijk deze constructie," zei hij tegen de camera, terwijl hij met zijn vrije hand aan de hendel trok, "helemaal gebouwd door mensen, zonder stroom, alleen met water."

"Dat heet techniek," zei Ties, die naast hem stond en zelf ook aan een hendel trok tot er een straal water over Nouds arm spoot.

"Bedankt," zei Noud droog, terwijl hij zijn mouw uitwrong zonder de camera te laten zakken.

Ze klauterden verder langs het pad, over een wiebelbrug van dikke touwen die onder elke stap meeveerde, langs een fontein die je met je blote voet kon laten opborrelen door op een houten pomp te trappen, en langs een lange glijgoot waar water doorheen stroomde en waar Roos haar hand insteek tot haar mouw kletsnat was.

"Voelt als ijs," zei ze, tevreden, en deed het meteen nog een keer.

Bij een van de bruggetjes, een kort exemplaar van twee dikke boomstammen met een touwleuning ertussen, bleef Papa even staan om op de brug te springen, zodat hij vibreerde onder zijn voeten.

"Stevig genoeg," zei hij, tegen niemand in het bijzonder, en liep door met de handen in zijn zakken alsof hij net een officiële keuring had uitgevoerd.

Mama zat intussen op een bankje aan de rand van het parcours met haar broekspijpen tot de knie opgerold en haar voeten in het ondiepe water, terwijl ze de rugzak op schoot hield en de kinderen in de gaten hield tussen de bomen door.

"Niet verder dan die grote steen," riep ze naar Roos, die net een sprongetje had gemaakt richting een dieper stuk waar het water tot haar kuiten kwam.

"Ik zie de steen," riep Roos terug, en bleef er precies voor staan, met haar armen wijd voor haar evenwicht.

Na ruim een uur klauteren, met natte broekspijpen, koude tenen en een half opgedroogde handdoek om Roos' schouders, verzamelden ze zich weer bij de schoenen. Ties had zijn schoenendoos met projectjes die dag thuisgelaten, maar had onderweg een kastanje gevonden die volgens hem "perfect" was, glad en donkerbruin, en die hij in zijn broekzak liet glijden voor later.

"Voor wat," vroeg Noud.

"Weet ik nog niet," zei Ties. "Dat komt vanzelf."

Vanaf Hexenwasser reden ze een klein stuk verder het dal in, naar het pad dat de Kundler Klamm in ging. Bij de ingang van de kloof stond een houten hek met een bordje waarop stond dat het pad smal was en dat je op de vlonders moest blijven, en vanaf de eerste meters al hoorden ze het water voordat ze het zagen, een diep, aanhoudend gebulder dat tegen de rotswanden weerkaatste.

"Wat is dat voor geluid," vroeg Roos, met haar hand om Papa's vingers geklemd.

"Dat is de beek," zei Papa. "Die klinkt hier harder omdat de kloof zo smal is."

Het pad zelf bestond uit houten vlonders die tegen de rotswand waren vastgeschroefd, soms nauwelijks een meter breed, met aan de ene kant de rots en aan de andere kant een laag houten hekje en daarachter meteen het kolkende water, wit van de schuim waar het tegen de stenen sloeg. Op sommige plekken hing er een fijne nevel in de lucht, koel tegen hun gezicht, en de bodem van de vlonders was donker van het vocht.

Roos hield zich met één hand aan het hekje vast en liep expres langzaam, zodat ze bij elke stap even naar beneden kon kijken naar het water dat onder haar door schoot, groenig van kleur op de rustigere stukken en spierwit waar het tegen een rotsblok kapotsloeg. Op een plek waar het pad even breder werd, was een uitstulping in de rots waar het water eeuwenlang overheen had gestroomd, glad gesleten tot het glansde als gepolijst hout.

"Dat heeft het water helemaal zelf gemaakt," zei Papa, met zijn vinger over de gladde steen. "Al die jaren dat het hier langsstroomt."

"Hoeveel jaar dan," vroeg Noud.

"Dat weet ik niet precies," zei Papa. "Heel veel."

"Dat is geen antwoord," zei Ties.

"Nee," gaf Papa toe. "Maar het is wel waar."

"Kijk hoe het water tegen die steen slaat," zei Ties, die was blijven staan bij een bruggetje over het smalste stuk van de kloof, waar de stroom zich tussen twee rotsblokken perste en met volle kracht naar beneden schoot. "Het duwt gewoon alles opzij."

"Dat is de kracht van al dat smeltwater," zei Papa, die naast hem kwam staan en met zijn hand op de rand van het hek leunde, "van hoger in de bergen, dat hier allemaal wordt samengeperst."

Noud filmde het water van bovenaf de brug, zijn cameraatje zo dicht mogelijk bij het hekje gehouden zonder het los te laten, en liet zijn stem bijna wegvallen tegen het geraas.

"Dit is echt het hardste water dat ik ooit heb gehoord," zei hij, en moest het zinnetje daarna nog een keer overdoen omdat hij zelf niet zeker wist of de camera zijn stem wel had opgevangen boven het kabaal.

Roos hield tijdens het lopen het kompaskistje in haar jaszak, met haar hand eromheen geklemd zodat het niet kon vallen op de gladde planken. Onderweg neuriede ze zachtjes Waterdicht, half hardop, half voor zichzelf, en Mama pikte de melodie op en zong het refrein mee, wat vreemd genoeg precies paste bij het geluid van de beek naast hen. Op een van de bredere stukken van het pad, waar een uitzichtplatform was gebouwd boven een kolk waarin het water rondtolde voor het weer verder stroomde, bleven ze een tijdje staan.

"Zou je hierin kunnen zwemmen," vroeg Ties.

"Nee," zei Mama meteen. "Veel te koud en veel te snel."

"Ik vroeg het alleen."

"Dat mag je altijd vragen," zei Mama. "Het antwoord blijft nee."

Na de kloof, waar het pad weer uitkwam bij een rustiger stuk van de beek met kiezelstranden aan weerszijden, aten ze de broodjes die Mama had ingepakt, op een grote platte steen die warm aanvoelde van de zon. Ties liet zijn kastanje even in het water zakken om te kijken of hij zou zinken, wat hij deed, en viste hem er meteen weer uit voordat de stroom hem mee kon nemen.

Van de kloof reden ze verder naar de Hintersteiner See, een meer dat vanaf het parkeerterrein al zichtbaar was tussen de bomen door, een vlak van water zo helder dat je vanaf de oever de stenen op de bodem kon tellen. Ze liepen het laatste stuk over een pad met houten planken, en toen ze bij de waterkant kwamen, bleef Roos meteen op haar hurken zitten om met haar hand door het water te gaan.

"Het is doorzichtig," zei ze, verbaasd, alsof ze water nog nooit eerder had gezien. "Ik zie helemaal de bodem."

"Kristalhelder," zei Papa, die naast haar hurkte en met zijn vlakke hand over het oppervlak streek zodat er kleine rimpels ontstonden die richting het midden van het meer uitdeinden. "Dat komt van het smeltwater van de gletsjers hierboven, dat hier samenkomt."

Op een steiger die een klein stukje het meer in stak, lieten ze hun voeten bungelen boven het water, en Noud probeerde met zijn camera een shot te maken waarbij je zowel de bergen aan de overkant als het water eronder kon zien, wat hem pas na de vierde poging lukte, toen hij zich languit op de planken had laten zakken.

"Dit wordt een topshot," mompelde hij, terwijl hij het schermpje bekeek. "Kijk hoe blauw dat water is."

"Het is meer groen," zei Ties.

"Blauwgroen," zei Roos, die naast hen kwam zitten en haar tenen net onder het oppervlak liet zakken tot ze er weer meteen mee terugschoot van de kou.

Verderop langs de oever, waar het pad iets verder het gras in liep, ontdekte Ties een plek waar het water zo ondiep was dat je de kiezels op de bodem met je handen kon oppakken zonder je hoofd nat te maken. Hij haalde er een handvol uit, bekeek ze een voor een, en legde de mooiste, een steen met een witte streep erdoorheen, apart op een platte rots om te drogen.

"Die neem ik mee," zei hij. "Naast de kastanje."

"Je hebt al een kastanje," zei Noud.

"Een steen is iets anders dan een kastanje," zei Ties, alsof dat de meest logische zin ter wereld was, en liet de steen in zijn andere broekzak glijden, zodat hij aan beide kanten iets had zitten.

Ze bleven bijna een uur bij het meer, aten er de laatste appels van de rugzak, en Ties gooide platte steentjes over het water, die twee, soms drie keer stuiterden voor ze zonken, terwijl hij elke worp hardop becommentarieerde alsof hij zijn eigen wedstrijd versloeg. Papa besloot dat het tijd werd voor de terugweg, maar koos in plaats van het brede pad langs de auto's een smaller paadje dat vanaf de oever schuin omhoog liep, tussen rotsblokken door naar een uitkijkpunt hoger op de helling.

"Tien minuten klimmen, en dan heb je uitzicht over het hele meer," zei hij, terwijl hij zijn rugzak vaster op zijn schouders trok. "Daarna lopen we via de andere kant weer naar beneden."

Het pad werd al snel steiler, de bomen dunner, tot ze uiteindelijk boven de laatste sparren uitkwamen op een open, rotsachtig stuk waar alleen nog laag gras en kale stenen te zien waren, met hier en daar een bosje alpenrozen dat tegen een rotsblok aan groeide. De lucht rook er anders, droger, met een vleugje kruid dat Roos niet kon thuisbrengen.

Op dat moment voelde ze het kistje in haar jaszak. Ze had het net weggestopt na het meer, en nu drukte ze er per ongeluk met haar elleboog tegen terwijl ze over een steen stapte, en merkte dat het warmer aanvoelde dan de rest van haar jas.

"Hé," zei ze, en bleef stilstaan. "Hij doet het weer."

Ze haalde het kistje tevoorschijn en klapte het open. De naald, die de hele wandeling rustig naar het noorden had gestaan, gaf een kleine ruk, zwenkte een stukje opzij, en kwam toen weer tot rust, niet precies op het noorden, een fractie ernaast.

"Kijk," zei ze, en hield het kistje omhoog zodat Noud en Ties het konden zien.

Voor iemand kon reageren, klonk er een schel, kort fluitgeluid van ergens tussen de rotsen verderop, iets tussen een fluitje en een piepje in, gevolgd door stilte.

"Wat was dat," fluisterde Ties, en bleef als aan de grond genageld staan.

Papa hield zijn hand omhoog, een teken om stil te blijven, en wees naar een grote platte steen zo'n twintig meter verderop. Daar, rechtop op zijn achterpoten, met zijn voorpootjes tegen zijn borst en zijn kopje bewegend van links naar rechts, stond een dier zo groot als een flinke kat, met een bruin, gedrongen lijf en een dikke, korte staart. Het bewoog zijn snuit even in hun richting, gaf opnieuw dat scherpe fluitje, en dook meteen weg in een spleet tussen twee stenen.

"Een marmot," zei Papa zacht. "Die wonen hier, hoog in de rotsen."

Noud had zijn camera al in de aanslag, maar bewoog geen centimeter, zijn adem bijna ingehouden. "Niet bewegen," fluisterde hij tegen zijn broer en zus. "Als we stilstaan komt hij misschien terug."

Ze bleven doodstil staan, met de wind die zachtjes langs de rotsen streek en verder geen enkel geluid, tot na misschien een minuut het kopje van de marmot weer boven de rand van de spleet verscheen, eerst alleen de neus en de kleine ronde oortjes, daarna de hele kop, die van links naar rechts speurde of de kust veilig was.

"Hij kijkt of wij er nog zijn," fluisterde Roos.

Langzaam, met kleine schokjes, kwam het dier weer helemaal uit zijn schuilplaats, klom terug op de platte steen en ging daar weer rechtop zitten, met zijn voorpootjes bungelend voor zijn buik, zijn snorharen trillend in de wind. Noud filmde met zijn duim krampachtig op de knop, zijn stem nauwelijks hoorbaar.

"Als dit lukt," fluisterde hij tegen de camera, "is dit het beste shot van mijn hele vlog."

Ties, die zijn kastanje nog steeds in zijn broekzak had, haalde hem er langzaam uit en liet hem voorzichtig op de grond voor zijn voeten vallen, alsof dat de marmot zou overtuigen dichterbij te komen. Het dier reageerde niet meteen, bleef nog even zitten met zijn kopje schuin, en liet zich toen van de steen af zakken, op zijn vier poten, om in korte sprongetjes dichterbij te komen, tot op een meter of vijf van de kastanje.

"Hij ruikt eten," fluisterde Mama.

De marmot snuffelde aan de lucht, kwam nog een stukje dichterbij, pakte de kastanje niet op maar draaide er wel een rondje omheen, en ging toen zitten om zich met beide pootjes over zijn snuit te wrijven, een gebaar dat Roos meteen aan iemand deed denken die zijn gezicht waste.

"Hij wast zich," giechelde ze, iets te hard, waardoor het dier meteen weer overeind schoot en met een laatste fluittoon terug de rotsen in schoot, deze keer voorgoed, of in ieder geval voor de rest van de tijd dat ze daar bleven staan.

"Jammer," zei Ties. "Hij wilde hem niet eens proeven."

"Je gaf hem er al een," zei Noud, die eindelijk zijn camera liet zakken en op het schermpje terugkeek wat hij had vastgelegd, een wiebelig shot van rotsen, een stukje bruine vacht en, heel even, het dier rechtop op de steen. "Kijk. Ik heb hem."

Ze gingen op een paar platte stenen zitten, met uitzicht over het meer dat beneden hen lag als een blauwgroene ovaal tussen de bergen, en bespraken wat ze net hadden gezien, allemaal door elkaar, met handen die de bewegingen van het dier nadeden.

"Hij ging helemaal rechtop staan," zei Roos, en deed het voor met haar eigen armen tegen haar borst.

"En dat fluitje," zei Ties. "Dat deed hij expres, om andere marmotten te waarschuwen. Dat heb ik weleens gelezen."

"Waarschuwen voor wat," vroeg Noud.

"Voor ons," zei Ties, alsof dat overduidelijk was.

Roos keek naar het kompasje, dat ze nog steeds in haar hand hield, en waarvan de naald inmiddels weer gewoon naar het noorden wees, rustig, zonder verder gedoe. Ze stopte het terug in haar jaszak en dacht heel even weer aan de drie zusjes van de ober, aan bergwachtsters die volgens hem al eeuwen over deze hellingen liepen, en vroeg zich af of zij die marmot ook weleens hadden gezien. Ze zei er niets over, hield de gedachte voor zich, en luisterde verder naar haar broers.

"We moeten hem een naam geven," zei Ties ineens. "Je kan niet zomaar 'de marmot' blijven zeggen."

"Kan wel," zei Noud.

"Klinkt saai."

"Oké, wat wil jij dan," vroeg Roos.

Ties dacht even na, met zijn hoofd schuin, en keek naar de rotsen waar het dier verdwenen was. "Fluitje," zei hij. "Omdat hij dat geluid maakte."

"Dat is geen naam voor een dier," zei Noud. "Dat is een naam voor een voorwerp."

"Wat had jij dan bedacht," zei Ties, een beetje geïrriteerd.

"Rocky," zei Noud. "Omdat hij op de rotsen zit."

"Dat is de naam van een bokser," zei Ties.

"Kan een marmot ook heten."

Roos, die tot dan toe alleen had geluisterd, ging er eens goed voor zitten, met haar handen om haar knieën. "Ik vind Bruintje mooier," zei ze. "Omdat hij bruin is en klein."

"Bruintje is een naam voor een pony," zei Ties.

"Is niet."

"Wel."

Papa, die het gesprek een tijdje had aangehoord terwijl hij zijn waterfles leegdronk, schroefde de dop er weer op en keek van het ene kind naar het andere. "Volgens mij worden jullie het hier niet snel over eens," zei hij.

"Nee," gaven alle drie tegelijk toe.

"Dan stel ik voor dat we er nog even mee wachten," zei Mama. "Misschien zien we hem nog een keer, deze reis, en dan weten we het vanzelf beter."

"Of hij moet zijn naam nog verdienen," zei Papa. "Zoals dat soms gaat."

"Hoe verdien je een naam dan," vroeg Roos.

"Dat weet ik ook niet precies," zei Papa. "Dat zie je vanzelf, als het zover is."

Ties knikte daar schoorvoetend mee in, al mompelde hij nog dat Fluitje toch echt de beste optie was, en Noud hield vol dat Rocky sowieso beter klonk dan Bruintje, waarop Roos haar armen over elkaar sloeg en zei dat ze het er nog wel een andere keer over zouden hebben, want gelijk krijgen kon ook morgen nog. Ze bleven nog even zitten kijken naar de rotsen, voor het geval het dier nog een keer zijn kop zou laten zien, maar er kwam niets meer, alleen de wind die over het gras streek en ergens diep beneden het zachte kabbelen van het meer tegen de oever.

Voor ze afdaalden, raapte Ties de kastanje op van de plek waar hij hem had laten liggen, en stopte hem terug in zijn broekzak, naast de tweede die hij die ochtend bij Hexenwasser had gevonden. "Voor de volgende keer dat we hem zien," zei hij.

Het afdalen ging sneller dan het klimmen, over het paadje aan de andere kant van de helling, tussen sparren die dichter op elkaar stonden en een geur van hars verspreidden in de middagzon. Bij de auto op de parkeerplaats bekeek Noud zijn beelden nog een keer helemaal, spoelde het stuk met de marmot drie keer terug, en verklaarde tevreden dat dit zonder twijfel het beste fragment van de hele reis tot nu toe was. Roos klom achterin met het kompaskistje weer stevig in haar hand, de naald rustig naar het noorden gericht, alsof er niets bijzonders was gebeurd die middag boven de bomen.

↑ Overzicht ← Hoofdstuk 4 Hoofdstuk 6 →
⬇ Het hele boek als Word-document
Heenreis Oostenrijk Italië Terugreis Streken Voorleesverhaal Live Woordjes Praktisch Links