Zomer ’26
🏔️ Hoofdstuk 8 van 10

De Gruttenhütte, de Brennerpas en het eerste blauw van Levico

🎧 Liever luisteren? Jolanda leest voor

⬇ mp3

Roos had haar rugzak al dichtgegespt voordat er beneden in de eetzaal ook maar één kopje koffie was ingeschonken. Ze zat op de rand van haar stapelbed, het kompasje in haar vuist, en luisterde naar het geklop van houten sloffen op de gang. De Gaudeamushütte werd wakker met geluiden, niet met woorden: een deur die dichtviel, een gasfornuis dat aansloeg, iemand die buiten hout stapelde voor de kachel van straks.

"Ruik je dat," zei Ties, die met zijn haar alle kanten op de trap af kwam. Beneden hing de geur van gebakken spek en versgezette koffie, vermengd met de houtrook van de vorige avond die nog in de balken zat. Op de lange tafel stond het ontbijt al klaar, onderdeel van de halfpension die ze hadden geboekt: donker brood, plakken Tiroler ham, een pot abrikozenjam met een gedeukt deksel, en een schaal hardgekookte eieren die nog dampten.

Julia zette er een kan warme melk bij en vroeg hoe ze hadden geslapen. "Goed," zei Papa, "op wat gerommel in de mist na," en Julia knikte alsof ze dat wel vaker hoorde van gasten die de avond ervoor bij het Ellmauer Tor waren geweest. Ties prikte drie plakken ham aan zijn vork en at ze een voor een op, terwijl hij met zijn andere hand het bonnetje van gisteren gladstreek waarop hij de hoogtemeters van de afdaling had uitgerekend.

"Vandaag lopen we niet naar beneden," zei Papa, toen de laatste boterham op was. Hij vouwde de kaart van de hut open op tafel, tussen de broodkruimels, en wees met zijn vinger een lijn die van de hut af eerst verder omhoog liep. "Eerst nog een stukje de berg op. Naar de Gruttenhütte."

"Nog hoger," zei Ties, die zijn schriftje er al bij had gepakt. Hij schreef GRUTTENHÜTTE boven een lege regel, met een vraagteken achter de hoogte, klaar om die later door te strepen zoals hij bij elke hut deed.

"Zestienhonderdtwintig meter," zei Papa. "En dan lopen we van daar weer terug naar de auto."

Michael kwam de zaal binnen met een stapel schone lakens onder zijn arm en bleef even staan luisteren. "Die route noemen wandelaars hier de koningsvariant," zei hij, met een blik naar Ties die meteen rechtop ging zitten bij dat woord. "Erbij, niet eromheen. De meeste mensen die hier slapen doen hem." Hij rekende de overnachting en het ontbijt af aan de balie, telde het wisselgeld twee keer voordat hij het teruggaf, en drukte Roos bij het afscheid een klein stuk chocolade in haar hand, "voor onderweg naar de volgende hut".

Bij de deur, waar een gastenboek op een houten lessenaar lag opengeslagen, schreef Papa een paar zinnen over de mist van de vorige avond en de sterren die er even tussendoor waren geweest. Noud tekende er in een hoekje zijn eigen initiaal bij met een streepje eronder, zoals hij op elke plek deed waar hij had gefilmd, en Ties bladerde terug naar een bladzijde van een ander gezin, weken eerder, dat in blokletters had geschreven dat de Kaiserschmarrn "het beste ter wereld" was.

"Dat is ook zo," zei Ties, en klapte het boek weer dicht.

Buiten was de lucht kouder dan de avond ervoor, met een waas van adem voor ieders mond. De Wilder Kaiser stond nog half in de nevel, de toppen net zichtbaar, en beneden in het dal lag Tirol als een lappendeken van groen en donkerder groen. Bij het bordje met de routenummers, een meter of tien voorbij de deur, stond een kruising waar het pad zich splitste: naar links, omlaag, terug naar Wörgl en de camping, en naar rechts, verder de berg op, pad 825 naar de Gruttenhütte.

Papa sloeg rechtsaf zonder te aarzelen. "We komen hier straks weer terug," zei hij, "en dan gaan we pas naar beneden."

Het pad liep eerst nog door bos, maar het was ander bos dan de dag ervoor: de dennen stonden verder uit elkaar, korter, met takken die al krom stonden van de wind die hier hoger vrij spel had. Tussen de stammen door zag Ties af en toe een stuk kale rots, en na een meter of driehonderd hielden de bomen helemaal op, zomaar, alsof er een lijn over de berg was getrokken.

"Dit is de boomgrens," zei Papa, die was blijven staan bij de laatste, half kaal gewaaide den. "Hierboven groeit niks meer dat hoger is dan je knie."

Ties liep er meteen naartoe en legde zijn hand op de stam, alsof hij wilde voelen of dat verschil ook aan het hout te merken was. "Hij voelt hetzelfde," zei hij, een beetje teleurgesteld, en liep door.

De wind stak hier feller op dan tussen de bomen, zonder iets om hem af te remmen, en floot langs de rugzakbanden en de haken van de wandelstokken. Noud hield zijn camera even tegen zijn borst om de wind niet rechtstreeks in de microfoon te laten blazen, en zei tegen de lens dat "het hier al helemaal anders voelde dan bij het ontbijt". Ties keek naar de rotsen aan weerszijden van het pad, op zoek naar iets dat bewoog, en vroeg of er hier ook marmotten konden zitten zoals een paar dagen eerder.

"Kan best," zei Papa. "Maar hou je ogen dan op de rotsen, niet op je schoenen."

Er kwam geen marmot, wel een steenslag verderop waar een paar kiezels zomaar van een richel naar beneden roffelden, zonder aanwijsbare reden, en iedereen keek er even naar voor ze weer verdergingen.

Voorbij de boomgrens werd het pad rotsiger, met losse stenen die onder hun schoenen wegschoven en grotere platen waar je overheen moest klimmen in plaats van lopen. Roos hield het kompasje in haar linkerhand en Mama's hand in haar rechter, en zette haar voeten net iets voorzichtiger neer dan op het bospad.

"Weet je nog wat we gisteren zagen," zei Ties, terwijl hij over een rotsblok stapte. Hij bedoelde de schimmen bij het Ellmauer Tor, twee gestalten die daar een moment in de mist hadden gestaan en toen weg waren, precies op het moment dat de wolken opensplitsten en de sterren zichtbaar werden.

"Ik heb het nog een keer teruggekeken vanmorgen," zei Noud, die zijn actioncam van zijn borstriem haalde en het schermpje liet zien terwijl ze doorliepen. Het beeld was donker en wazig, met korrels door het lage licht, en er waren vormen te zien die je voor mensen kon aanzien, of voor rotsen, of voor niets. "Ik zie het nog steeds niet scherper worden, hoe vaak ik ook pauzeer."

"Het waren de Alpenzusjes," zei Roos, zo vanzelfsprekend dat niemand haar tegensprak. Ze had die naam zelf verzonnen, ergens tussen de vorige hut en deze, en gebruikte hem inmiddels alsof het een vaststaand gegeven was, zoals de naam van een bergtop.

Papa, die met de wandelstokken achteraan liep, zei dat het best mist kon zijn geweest die vreemd langs de rotsen bewoog. "Zulke dingen zie je vaker op hoogte, met dat licht." Hij zei het niet om het gesprek dood te slaan, meer om er zelf ook nog even over na te denken. Verder werd er niet over gesproken, want het pad vroeg nu meer aandacht dan het gesprek kon verdragen.

Bij het eerste rotstrapje, een stuk van misschien vier meter waar de rots in brokken omhoogliep, moest Ties zijn stok wegsteken en zijn handen gebruiken om zich op te trekken. Er hingen geen kabels, geen ijzeren nietjes in de steen, alleen de rots zelf en de plek waar honderden schoenen voor hen al hadden geleerd waar de beste greep zat.

"Hier moet je klimmen," riep Ties naar beneden, met zijn knieën al op de eerste plaat.

"Rustig, met twee handen en twee voeten tegelijk vast," zei Papa, die naast Roos bleef en haar over de lastigste steen heen tilde in plaats van haar te laten klimmen.

Roos hield het kompasje even tussen haar tanden geklemd toen ze allebei haar handen nodig had, en stopte het pas weer in haar broekzak toen ze boven het trapje stond, met stof op haar knieën en een grijns die zei dat ze het zelf ook stoer vond.

Boven het eerste trapje vlakte het pad even af, tussen brokken puin die van de rotswand naar beneden waren gerold, ver voor hun tijd, met mos in de scheuren en een enkele gele bloem die zich tussen twee stenen had geperst. Even verderop volgde een tweede trapje, korter dan het eerste, maar steiler, waar Noud zijn camera een tijdje aan zijn riem liet hangen om zijn handen vrij te hebben.

"Ik film het straks terug," zei hij, "als bewijs dat we het hebben gehaald."

Vanaf het tweede trapje veranderde het uitzicht. De rotswand die eerst nog boven hen had uitgetorend, schoof opzij, en tussen twee pieken door verscheen voor het eerst die ochtend een stuk blauwe lucht zonder wolken erin. Roos, die net op dat moment het kompasje weer uit haar broekzak had gehaald om te kijken of het nog goed lag, voelde het even warm aanvoelen in haar hand, warmer dan de lucht om haar heen rechtvaardigde.

"Hij doet het weer," zei ze zacht, meer tegen het kompasje dan tegen de anderen.

Niemand vroeg wat ze bedoelde. Papa keek even over zijn schouder, zag niets bijzonders behalve een mooi stuk lucht, en liep door. Een paar tellen later kwam het pad om een laatste rotspunt heen, en daar lag de Gruttenhütte, lager en breder dan de Gaudeamushütte, met een houten terras dat over de rand van de berg leek te hangen.

"We zijn er," zei Mama, die haar stok tegen de gevel zette.

De Gruttenhütte was de hoogst gelegen hut van de hele Wilder Kaiser, had Papa de avond ervoor al voorgelezen uit een folder die bij de balie had gelegen, en dat was op het terras meteen te voelen: er was geen berg meer die het uitzicht blokkeerde, alleen lucht en, recht voor hen, de rotswand van de Ellmauer Halt die van hieraf zo dichtbij leek dat je hem met een steenworp zou kunnen raken.

"Tweeduizend driehonderdvierenveertig meter," zei Ties, die zijn schriftje er meteen bij haalde en de hoogte overschreef van de bladzijde waar hij hem twee dagen eerder al eens had opgeschreven. "En wij staan op zestienhonderdtwintig."

"Nog zevenhonderd meter hoger dan hier," zei Noud, die zijn camera op de top richtte en langzaam inzoomde tot het beeld begon te trillen van zijn eigen ademhaling. "Daar gaan we dus niet naartoe."

"Daarvoor heb je klimspullen nodig en een gids," zei Papa, precies zoals hij twee dagen eerder ook al had gezegd, en Ties knikte alsof hij het zich nu pas weer herinnerde.

Het terras van de Gruttenhütte lag vol, banken aan banken, met wandelaars in korte broeken die hun schoenen hadden losgemaakt en hun voeten in de zon lieten drogen, en een paar fietsers met dikke banden die hun stalen ergens tegen de gevel hadden gezet. Onder de tafels lag een hond languit met zijn kop op zijn poten, en verderop, bij de rand van het terras, hing een verrekijker aan een paal die iedereen mocht gebruiken, gratis, met een muntje voor twee minuten uitzicht als je hem wilde vasthouden zonder dat een volgende ongeduldig werd.

Ze vonden een plek aan een van de lange tafels, tussen twee andere gezinnen die in het Duits en in wat volgens Papa Tsjechisch klonk aan het praten waren. Een ober met een schort vol vlekken kwam langs met een blocnote, en Mama bestelde voor iedereen een kom soep en, op aandringen van Ties, nog een portie Kaiserschmarrn om te delen, "want die was gisteren zo goed".

"Kijk daar eens," zei Papa, terwijl ze wachtten, en wees naar de rotswand recht voor hen. Er liep een streep sneeuw in een kloof die de zomer nog niet helemaal had weggekregen, en een paar zwarte vogels cirkelden er stil boven, zonder één keer met hun vleugels te slaan.

"Zijn dat gieren," vroeg Ties, die zijn hand boven zijn ogen hield tegen de zon.

"Alpenkraaien, denk ik," zei Papa. "Maar ik zou het niet met zekerheid durven zeggen."

De soep kwam met dikke plakken brood erbij, en Roos at, precies zoals bij het avondeten twee dagen eerder, langzaam en met kleine hapjes, terwijl ze tussendoor naar de top bleef kijken die boven de tafel uittorende. Toen de Kaiserschmarrn kwam, dampend en met poedersuiker die meteen wegwaaide in een vlaag wind, viel het even stil, tot Ties met volle mond verklaarde dat deze net zo goed gescheurd was als de vorige.

"Alle Kaiserschmarrn is gescheurd," zei Noud. "Dat is het hele punt."

"Ik wil het gewoon even gezegd hebben," zei Ties, en at door.

Na het eten liepen ze nog een stukje langs de rand van het terras, tot waar het pad naar de top begon en meteen weer ophield met een bordje dat verder alleen ervaren klimmers toeliet. Roos ging op haar hurken zitten bij een scheur in de rots waar een klein plantje in groeide, wit met een gele kern, en probeerde het te tekenen met haar vinger in de lucht omdat ze geen potlood bij zich had.

"Dat is edelweiss," zei Papa, die was komen kijken. "Die groeit alleen hier hoog."

"Mag ik hem plukken," vroeg Roos.

"Nee," zei Mama. "Die moet daar blijven staan, voor de volgende die hem wil zien."

Roos knikte, niet echt teleurgesteld, en legde in plaats daarvan een klein steentje naast het plantje neer, "zodat hij weet dat we er waren".

Om half een stond Papa op en klapte zijn wandelstokken weer uit. "Terug," zei hij. "Hetzelfde stuk, nu de andere kant op."

De afdaling naar de Wochenbrunner Alm zou ongeveer anderhalf uur duren, had de ober bij het afrekenen gezegd, en dat klopte al bij het eerste stuk: het pad dat ze een uur eerder omhoog waren geklommen, voelde nu meteen anders onder hun voeten, met stenen die net zo makkelijk wegschoten als eerst, maar dan onder je gewicht in plaats van tegen je op.

Bij het puinveld met het mos en de gele bloem herkende Ties de plek meteen. "Hier stond ik stil om op adem te komen," zei hij, wijzend naar een platte steen, en ging er even op zitten om het gevoel nog eens te hebben, al had hij helemaal geen adem nodig gehad.

Het tweede rotstrapje, dat ze op de heenweg als eerste hadden gehad, was afdalend lastiger dan omhoog klimmen: je zag de diepte onder je voeten in plaats van de rots voor je gezicht. Papa ging voorop, zocht met zijn hand een vaste greep en riep naar boven waar Ties en Noud hun voeten het beste konden zetten.

"Niet springen," zei hij tegen Ties, die al met zijn knieën gebogen stond alsof hij het in één keer wilde overbruggen. "Stap voor stap."

Ties stapte, met tegenzin, stap voor stap, en stond even later beneden met een gezicht dat zei dat hij het toch liever had gedaan zoals hij van plan was geweest.

Bij het eerste rotstrapje, verderop, pakte Papa Roos weer op en zette haar voorzichtig van steen naar steen, met haar armen om zijn nek en het kompasje dat tussen hen in bungelde aan het touwtje. Beneden aangekomen wilde ze meteen weer zelf lopen, en Mama pakte haar hand voor het laatste, minder steile stuk van het puin.

"Rustig aan hier," zei Mama, "dan struikel je niet over die losse steentjes."

"Ik struikel toch niet," zei Roos, en struikelde vervolgens net niet over een steen die onder haar voet wegrolde, wat haar zelf het hardst deed lachen van iedereen.

Onder de boomgrens werd het pad meteen zachter, met naalden in plaats van steen, en het gesprek kwam ook weer los nu er geen handen meer nodig waren om overeind te blijven.

"Denk je dat de zusjes ons vanaf de Gruttenhütte konden zien," vroeg Roos, die het kompasje uit haar broekzak had gehaald en gewoon in haar hand liet bungelen, zonder dat er iets bijzonders mee gebeurde.

"Als ze er al waren," zei Noud, "dan zaten ze waarschijnlijk hoger dan wij. Zusjes die in de mist verschijnen, klimmen vast niet via een gewone route."

"Misschien hebben ze een geheime," zei Ties, die daar meteen serieus over leek te denken.

Papa liet het gesprek zijn gang gaan zonder er zelf iets aan toe te voegen, blij dat het pad weer breed genoeg was om naast elkaar te lopen zonder op elke steen te moeten letten.

Na iets meer dan een uur, sneller dan de aangekondigde anderhalve, kwamen ze de laatste bocht om en zagen ze tussen de bomen door het dak van de alm en, daarachter, het lage hek van het wildpark waar ze twee dagen eerder al even hadden gekeken.

"We zijn beneden," riep Ties, die het laatste stuk rende zodra het pad dat toeliet.

Bij de Wochenbrunner Alm stond hun auto nog precies waar ze hem hadden neergezet, met een dunne laag pollen op de voorruit en het parkeerkaartje nog achter de zonneklep, waar Papa het twee dagen eerder had opgeborgen.

"Eerst het wildpark," zei Mama, "en dan pas de auto."

Bij het lage houten hek stonden een paar herten dicht bij elkaar in de schaduw, hun oren draaiend naar elk geluid, en verderop, hoger tegen een kunstmatige rotspartij op, klommen twee berggeiten met een gemak dat niemand van de familie na een dag klimmen nog kon opbrengen.

"Zij hoeven geen trapjes," zei Ties, die met zijn neus tegen het hek naar de geiten keek.

"Zij zijn er ook mee geboren," zei Papa.

Roos hield haar kompasje even omhoog naar de geiten, alsof ze wilde checken of het bij dieren ook iets deed, maar de naald bleef stil op het noorden staan, onaangedaan door berggeiten.

Verderop lag het Kneipp-bad waar ze twee dagen eerder, op de heenweg, hun voeten in koud water hadden gezet tot hun tenen er pijn van deden. Ties liep er even langs en stak zijn hand in het water om te voelen of het nog net zo koud was.

"IJskoud," meldde hij. "Precies als toen."

"Dan laten we onze voeten er nu maar even buiten," zei Mama. "We hebben net anderhalf uur gelopen, geen zin om ook nog te schrikken."

Op het terras van de alm, waar ze twee dagen eerder ook al hadden gepauzeerd, bestelde Papa voor iedereen een ijsje bij de vrouw achter de toonbank, en toen hij wilde betalen, haalde hij het parkeerkaartje van onder de zonneklep vandaan in plaats van zijn portemonnee.

"Dit is nog geldig," zei hij tegen de vrouw, die het kaartje bekeek en knikte. "Twee dagen geleden hier gekocht. Parkeergeld dat drinkgeld wordt."

"Dat had u me toen ook al beloofd," zei Ties, die het zich meteen herinnerde. "Krijgen we nu iets lekkers ervoor?"

"Je krijgt er nu een ijsje voor," zei Papa, en dat telde blijkbaar precies genoeg als bewijs, want Ties vroeg er niet verder naar.

Terwijl ze op een bankje voor de alm hun ijsje opaten, sloeg Ties zijn schriftje open op de bladzijde met BERGEN DIE WE GEZIEN HEBBEN en begon onderaan te rekenen, met zijn potlood dat over het papier kraste.

"De alm naar de Gaudeamushütte was, volgens het bordje daar, een klein uurtje," zei hij hardop, terwijl hij schreef. "En naar de Gruttenhütte was nog een stuk verder. En dan weer terug, allebei de stukken."

"Hoeveel is dat samen," vroeg Noud, die zijn ijsje even liet zakken om mee te kijken.

Ties telde, streepte een getal door, telde opnieuw, en kwam uiteindelijk op een som die hij drie keer controleerde voor hij hem hardop voorlas. "Dertien komma drie kilometer. In totaal. Over twee dagen."

"Dat is meer dan van ons huis naar school en weer terug, tien keer," zei Noud, die dat blijkbaar ergens had uitgerekend zonder dat iemand het hem had gevraagd.

"Dertien komma drie," herhaalde Roos, die het getal niet helemaal begreep maar wel voelde dat het iets was om trots op te zijn, en likte haar ijsje verder terwijl ze naar de berg keek waar ze net vandaan waren gekomen.

De rit terug naar de camping duurde ongeveer vijfentwintig minuten, over de weg die eerst langs de wei met koeien liep en daarna het dorp Itter weer in draaide. Bij Camping Schlossberg Itter stond hun caravan precies zo als ze hem hadden achtergelaten, met de standplaats ernaast onaangeroerd op wat platgetrapt gras na.

"Hij heeft op ons gewacht," zei Roos, die tegen de caravan aan leunde alsof het een dier was dat ze had gemist.

Papa liep er een rondje omheen, controleerde de bandenspanning met zijn duim en klapte de deur open om te kijken of alles droog was gebleven. Het inladen ging sneller dan de vorige keer, want iedereen wist inmiddels waar wat hoorde: Roos propte haar knuffel tussen de kussens, Ties zocht zijn koptelefoon die uiteindelijk in zijn eigen schoen bleek te zitten, en Noud legde zijn extra batterijen voor de camera in het opbergvak bij het dashboard.

Bij het sanitairgebouw wasten ze om de beurt het bergstof van hun gezicht en armen, met water dat eerst koud uit de kraan kwam en na een paar tellen aangenaam lauw werd. Mama vulde de watertank van de caravan nog eens bij, en op de weg naar buiten stopten ze bij de kleine supermarkt in het dorp voor brood, fruit en een paar flessen water, genoeg voor de rit die eraan kwam. Ties kocht van zijn zakgeld een reep met hazelnoten, die hij meteen voor de helft opat voordat de auto de parkeerplaats goed en wel af was.

"Wie zit er straks bij het navigeren," vroeg Papa, terwijl hij zijn stoel achter het stuur naar achteren schoof. Noud stak zijn vinger op, zoals gewoonlijk, en kreeg de telefoon met de kaart erop aangereikt.

De rit zuidwaarts begon over de kleine wegen van Itter naar Wörgl, langs weilanden waar de zon nu vol op scheen, en sloot daarna aan op de snelweg richting Innsbruck. Ties zette de radio aan en zocht net zolang tot hij een liedje vond waar hij zin in had, en algauw klonk Thinking Out Loud door de auto terwijl de bergen aan weerszijden voorbijschoven. Roos zong half mee, half neuriede ze, met haar hoofd tegen het raam.

Bij Innsbruck reden ze onder de Europabrug door, en Noud wees door de voorruit naar de hoge betonnen pijlers die de snelweg dragen. "Hoog," zei hij, denkend na, "ik zou zeggen honderdvijftig meter." Niemand controleerde dat, en niemand had er de middelen voor in de auto, dus bleef het gewoon bij een schatting die verder niemand hardop tegensprak.

Vanaf Innsbruck begon de weg te klimmen, in brede bochten door een dal dat steeds smaller werd. Ties voelde zijn oren dichtklappen en probeerde ze open te krijgen door zijn kaak te bewegen, wat Roos meteen grappig vond en nadeed tot ze allebei moesten lachen.

"Brennerpas," zei Noud, toen het bord langs de weg verscheen: dertienhonderdzeventig meter, in witte cijfers op een blauw bord. Papa vertelde dat ze deze pas al eerder waren overgestoken, een paar dagen terug, maar dan noordwaarts, van Italië naar Oostenrijk. Nu ging het omgekeerd, de bergen weer af.

Bij de pas zelf stond de lucht kil en helder, met wat losse wolkenflarden die tegen de bergwanden hingen. Het kompasje op Roos' schoot lag stil, de naald recht op het noorden, zonder dat er iets bijzonders gebeurde. Ze legde het terug in het zijvakje van haar rugzak en keek weer naar buiten.

Ties had zijn eigen projectje weer opgepakt: hij hield bij hoeveel tunnels ze sinds de pas passeerden, met een streepje op zijn hand voor elke keer dat het donker werd in de auto. Bij de vijfde streep gaf hij het op, omdat hij in het donker van de tunnel zelf zijn eigen hand niet meer kon zien, wat hij zelf grappig genoeg vond om er hardop om te lachen.

Voorbij de pas begon de weg te dalen en veranderde het landschap met elke haarspeldbocht een klein beetje. De naaldbomen maakten plaats voor lagere begroeiing, en tussen de rotsen door verschenen de eerste cipressen, dunne donkergroene zuilen die niemand in Oostenrijk had gezien. Bij het bord met SÜDTIROL en daaronder ALTO ADIGE remde Papa iets af, zodat iedereen het kon lezen, en de plaatsnaamborden die volgden toonden telkens twee namen voor dezelfde plek: Vipiteno naast Sterzing, met een kerktoren die ze in de verte zagen liggen.

Ze stopten bij een Autogrill boven de snelweg. Papa haalde een espresso in een kopje dat nauwelijks groter was dan een vingerhoed en dronk het in twee slokken op, terwijl Mama voor de kinderen ieder een panino met kaas en ham kocht bij de toonbank. Roos vond het vreemd dat er geen frikandellen in de vitrine lagen, alleen ronde broodjes en plakken taart onder glas, en zei dat hardop tegen niemand in het bijzonder.

Voorbij Bolzano werd het dal breder en warmer, met wijngaarden in nette rijen tegen de berghellingen en appelboomgaarden die zich uitstrekten tot aan de rivier. Bij een stoplicht in een dorpje langs de route rook Roos door het open raam iets zoets en zwaars, fruit dat in de zon lag te rijpen in kratten naast een boerderijkraampje. Ties zette de radio weer aan, en Baila la gasolina klonk door de speakers, iets te hard naar Mama's zin, maar niemand zei er iets van. Roos danste met haar bovenlijf zo goed als dat ging met een gordel om, en zelfs Papa tikte mee op het stuur.

Na Trento sloegen ze af van de hoofdweg, een smaller wegje op dat kronkelend tussen heuvels door liep. Toen ze een bocht om kwamen, wees Noud opeens naar voren. "Daar," zei hij, "ik zie iets blauws." Tussen twee heuvels door glinsterde voor een paar seconden een streep water, te ver weg om meer dan een schittering te zijn.

Roos voelde het kompasje in haar hand warm worden, of dacht dat te voelen, net op het moment dat het water weer uit het zicht verdween achter de volgende heuvel. Ze zei er niets over, maar hield het kompasje steviger vast en keek naar de naald, die een fractie van een seconde leek te trillen voor hij weer stil bleef staan, recht op het noorden.

De weg boog nog een paar keer tot het bord CAMPING LAGO LEVICO opdoemde naast een oprit met palmen erlangs. Papa reed stapvoets het terrein op en parkeerde bij de receptie, waar aan de gevel een blauwe vlag hing te wapperen.

"Die krijgen ze al sinds 2013," zei Mama, terwijl de receptioniste hun plaatsnummer op een kaartje schreef. Het betekende iets over schoon zwemwater, had ze ergens gelezen, en de vlag zelf zag er ouder uit dan het jaartal deed vermoeden, een beetje verkleurd door de zon van dertien zomers.

De receptioniste tekende met een balpen een lijn op een plattegrond van het terrein, van de slagboom naar hun staanplaats en verder naar het strand, en gaf er een polsbandje bij voor het zwembad. Noud vroeg meteen of er ook wifi was voor het uploaden van zijn beelden, en kreeg een wachtwoord op een kaartje geschreven dat hij zorgvuldig in zijn borstzak stopte. Ties keek intussen al door het raam van de receptie naar een bordje met een pijl erop, SPIAGGIA, en probeerde te raden hoe ver het strand vandaan zou zijn.

De staanplaats lag in de schaduw van een paar hoge platanen, met een blik op het meer tussen de bomen door. Het uitladen ging in een vertrouwd ritme: de stabilisatiepoten naar beneden draaien, de imperiaal leeghalen, de tafel en stoelen buiten zetten. Ties zocht meteen de kortste route naar het water en kwam terug met het bericht dat het hooguit twee minuten lopen was.

Toen alles stond, liep het gezin samen naar het meer om te kijken voor het donker werd. Het lag stil, met een lichte deining die tegen de kiezels aan de oever klotste. Aan de overkant tekenden zich bergen af tegen een lucht die van blauw naar oranje overging, en verderop dobberde een enkele SUP rustig voorbij, silhouet tegen het laatste licht.

Roos trok meteen haar schoenen uit en liep het steile stukje kiezelstrand af tot het water haar tenen raakte. "Het is warm," riep ze, verbaasd ondanks dat Mama het al had voorspeld. Het water voelde inderdaad zacht aan, niet koud zoals de bergbeekjes van de vorige dagen, ergens rond de drieëntwintig, vierentwintig graden schatte Papa, die er ook even zijn voeten in zette.

Ties stond een stukje verderop en keek naar de SUP die langzaam voorbijgleed. "Morgen wil ik dat proberen," zei hij, meer tegen zichzelf dan tegen de anderen, met zijn ogen op het board gericht tot het achter een steiger verdween.

Noud had zijn camera weer gepakt en filmde het meer in het laatste licht, een paar seconden van het water dat oranje kleurde, en zei dat dit zijn eerste beeld van Levico was, "voor de vlog straks". Hij liet het schermpje nog even ronddraaien om de bergen aan de overkant mee te pakken en floot zachtjes tussen zijn tanden toen hij terugkeek naar wat hij net had opgenomen.

Ties had zijn schriftje uit zijn rugzak gehaald en schreef er, in het laatste licht, nog een regel bij onder de som van die middag: dertien komma drie kilometer boven op de berg, en dan het meer er nog eens bovenop, al kon je een meer niet in kilometers lopen. Hij streepte het laatste woordje door en liet het zo staan.

Mama ging op een van de grote stenen langs de oever zitten en trok Roos naast zich, die haar voeten liet bungelen boven het water. Het kompasje lag stil in haar schoot, de naald weer gewoon op het noorden, alsof er niets bijzonders was gebeurd, al wist ze zeker dat er die dag, hoog op de berg en laag bij het water, heel even iets was geweest.

Ze liepen terug over het pad, met het geluid van krekels dat langzaam luider werd naarmate het donkerder werd, en achter hen bleef het meer liggen zoals het de hele zomer zou blijven liggen: stil, warm, wachtend op de volgende ochtend.

↑ Overzicht ← Hoofdstuk 7 Hoofdstuk 9 →
⬇ Het hele boek als Word-document
Heenreis Oostenrijk Italië Terugreis Streken Voorleesverhaal Live Woordjes Praktisch Links