🎧 Liever luisteren? Jolanda leest voor
"Die pan gaat niet meer schoon, hoor," zei Mama, terwijl ze met een schuursponsje net iets te hard over de bodem van de koekenpan wreef, boven een van de roestvrijstalen wasbakken van het sanitairgebouw. Het water liep bruinig weg door het putje, met een sliertje afwasmiddel dat traag in kringen ronddraaide. Buiten, tussen de caravans van Camping Resort Limburg, hing nog een dunne ochtendmist boven het gras, en de Lahn lag er stil bij, met een streep zonlicht die net over het water begon te kruipen.
Papa liep de derde keer met de wielklem in zijn handen om de auto heen, controleerde de bevestigingsbouten van de caravan met zijn duim, en floot daarbij zachtjes een deuntje dat nergens echt op leek. Ties zat op de traptrede van de caravan met zijn plattegrondvel op zijn knieën, het papiertje dat hij thuis al had getekend voor de camping in Limburg, en tekende er nu op de achterkant een nieuw rondje bij, met potloodstreepjes die uitwaaierden naar een ovaal ernaast.
"Wat teken je nou weer," vroeg Roos, die met natte haren van het tandenpoetsen naast hem kwam zitten.
"AZUR Camping Ingolstadt. Daar komen we vandaag aan. Ik heb opgezocht dat er een meer bij zit, dus ik teken alvast waar het zwembad zit."
"Hoe weet jij dat als je er nog nooit bent geweest."
"Voel ik," zei Ties, met dezelfde stelligheid als op de oprit in Tilburg. "Bij een meer zit het altijd aan de kant met de minste bomen. Kijk maar of ik gelijk heb als we er zijn."
Roos haalde haar schouders op en voelde ondertussen in het zakje van haar korte broek of het kompasje er nog zat. Het was er, koud en een beetje ruw aan de rand waar het metaal was afgesleten, met het deksel dat licht klemde als je het open wilde klappen. Ze liet het zitten waar het zat en at in plaats daarvan verder aan haar boterham met hagelslag, die ze in vieren had gesneden zodat ze telkens een klein hapje kon nemen.
Noud stond intussen bij de picknicktafel met zijn actioncam, het nieuwe kabeltje er nog aan vast, aangesloten op het stopcontact onder de luifel van de caravan. Op het schermpje stond honderd procent, met een klein groen batterijicoontje erbij. Hij trok de stekker eruit, klikte de camera los van de kabel en hield hem voor zijn gezicht.
"Goedemorgen, kijkers," zei hij, met de stem die hij bewaarde voor de opnames. "Dit is aflevering twee van de vlog van het VrenkenTeam. Zoals jullie gisteren zagen, was mijn batterij leeg, maar dankzij het kabeltje van het campingwinkeltje hier in Limburg an der Lahn ben ik weer helemaal opgeladen. Vandaag rijden we naar Ingolstadt, naar een camping aan een meer. Onderweg stoppen we bij een bos. Verder weet ik het zelf ook nog niet precies, maar dat maakt het juist spannend."
"Jij weet het nooit precies," zei Ties, zonder op te kijken van zijn tekening.
"Dat heet flexibiliteit," zei Noud. "Presentatoren moeten flexibel zijn."
Mama kwam terug van het sanitairgebouw met de schone pan onder haar arm en zette hem in de plastic bak bij de andere spullen. Ze veegde met de rug van haar hand een lok haar uit haar gezicht en keek naar de klok op haar telefoon. "Half negen. We moeten om negen uur weg willen, want het is vandaag een lange rit."
"Hoe lang," vroeg Ties.
"Een kilometer of vierhonderd. Via de A3 en dan de A9."
"Dat is meer dan gisteren," zei Ties, en telde iets uit op zijn vingers voor hij het antwoord alweer vergat en verder ging met tekenen.
Ze pakten in met de routine die zich in één dag al had ingesleten: de kussens terug in de auto, de stoelen ingeklapt tegen de caravan, de waterslang losgekoppeld en opgerold, de haringen van de voortent uit de grond getrokken met een nat, zuigend geluidje. Papa controleerde de stabilisatorstang nog een laatste keer, drukte er met zijn vlakke hand tegenaan, en knikte tevreden. De campingbeheerder, dezelfde man met de pet van gisteravond, kwam nog even langs om te vragen of alles naar wens was geweest, en wees hun bij het weggaan nog de kortste weg naar de hoofdweg, langs het water waar een zwaan traag tussen de rietstengels zwom.
"Bedankt voor het kabeltje van gisteren," zei Papa, en de man knikte alsof dat de normaalste zaak van de wereld was.
Om vijf voor negen reden ze de slagboom uit, de caravan zwaaiend achter de Tesla aan, en Papa sloeg de weg in richting de snelweg. Roos draaide zich nog een keer om in haar stoel en keek door de achterruit naar de rivier die tussen de bomen door kleiner werd, tot een bocht in de weg het uitzicht wegnam.
"Dag Lahn," zei ze zacht, tegen niemand in het bijzonder.
De eerste twintig minuten bleef het stil in de auto, op het zoemen van de elektromotor na en het getik van een paar regendruppels die uit de mist waren overgebleven en nu van de bomen langs de weg op de voorruit vielen. Toen greep Noud naar het navigatiescherm en zette hij muziek aan. Cheerio klonk door de speakers, en binnen een paar seconden zongen alle drie de kinderen mee, Roos met haar eigen verzonnen versie van de tekst die net zo hard klonk als de rest.
Buiten veranderde het landschap langzaam van de glooiende heuvels rond Limburg an der Lahn naar bredere, vlakkere velden, met hier en daar een rij populieren die de randen van een akker markeerde. De borden langs de snelweg noemden steden die niemand in de auto kende, Wiesbaden, Frankfurt, en later Aschaffenburg, met getallen erachter die langzaam kleiner werden.
"Zijn we al in de buurt van het bos," vroeg Ties, die zijn plattegrondvel had opgevouwen en nu met zijn neus tegen het raam zat.
"Nog een uurtje of twee," zei Papa. "Eerst nog een keer laden, denk ik. De meter staat op negenenveertig procent."
Ergens na Aschaffenburg werd het landschap heuvelachtiger, met bossen die dichter tegen de snelweg aan kwamen te staan, donkergroen en dicht, met af en toe een open plek waar een hoogspanningsmast tussen de bomen uitstak. Mama zette Mijn kleine presidentje op, en Ties zong het refrein twee keer zo hard als de rest, met zijn vinger als microfoon voor zijn mond, tot Noud zei dat hij zijn oren pijn deed.
"Dat hoort bij het nummer," zei Ties. "Hard zingen is de bedoeling."
"Nergens staat dat het hard moet."
"Staat wel. In mijn hoofd staat het."
Bij een laadstation net voor Würzburg, een rij van zes palen onder een golfplaten afdak naast een tankstation met een bakkerij erin, reed Papa de auto naar binnen en klikte de kabel vast. Het scherm gaf meteen een bliksemschichtje en een percentage dat langzaam begon te tikken, van negenenveertig naar vijftig. De lucht rook er naar versgebakken brood, dat via de openstaande deur van de bakkerij naar buiten waaide, gemengd met een vleugje motorolie van de vrachtwagens die verderop stonden te tanken.
"Terwijl de auto eet, eten wij," zei Papa, zoals hij ook gisteren had gezegd, en binnen kochten ze broodjes met kaas en voor Roos een klein zakje krentenbolletjes, waarvan ze er eentje meteen at met kruimels die op haar trui vielen zonder dat ze het merkte.
Noud filmde de laadpaal, het display met de oplopende percentages, en draaide zich toen naar zijn broer en zus, die op een bankje in de schaduw zaten met hun broodjes.
"Kijkers, hier zien we Tiesemans en Rozevrouw, genietend van een broodje kaas terwijl onze auto stroom tankt. Ties, hoeveel procent denk je dat we nodig hebben om Ingolstadt te halen?"
"Weet ik niet. Vraag dat aan Papa."
"Dat is saai antwoord voor de vlog."
"Dan verzin ik iets. Honderdtwaalf procent."
"Dat bestaat niet," zei Noud.
"In mijn hoofd wel," zei Ties, en nam een hap van zijn broodje met het gezicht van iemand die het laatste woord had gehad.
Na ruim twintig minuten stond de meter op tachtig procent, genoeg voor de rest van de ochtend, en reden ze verder de A3 op, richting Würzburg. De snelweg liep hier tussen glooiende heuvels door, met wijngaarden op sommige hellingen, rijen groene struiken in nette lijnen die van bovenaf leken op de kam van een grote borstel. Boven Würzburg zelf, dat ze in de verte zagen liggen met een rivier die er breed doorheen kronkelde en een kasteel hoog op een heuvel aan de rand, gingen ze niet de stad in.
"Zo meteen stoppen we in het bos hier vlakbij," zei Papa, die naar het navigatiescherm wees. "Het Gramschatzer Wald. Gewoon een parkeerplaats aan de snelweg, met bos eromheen. Even de benen strekken en picknicken."
"Is daar iets te zien," vroeg Ties.
"Bomen," zei Mama droog. "En rust. Dat is ook iets."
Ze reden van de snelweg af en een kort stukje over een smal weggetje, tot ze bij een grote parkeerplaats kwamen, met houten picknicktafels verspreid tussen de bomen en een paar vrachtwagens die aan de rand stonden geparkeerd, chauffeurs die in de schaduw van hun cabines een dutje deden. Het bos zelf bestond uit hoge dennen en beuken door elkaar, met een bodem van naalden en dor blad die zacht aanvoelde onder de schoenen, en de lucht rook er hars en een beetje vochtig, alsof het er kort daarvoor had geregend.
Papa parkeerde de auto met caravan aan de rand, dicht bij een vrije picknicktafel, en iedereen stapte uit met het knerpende geluid van schoenen op grind en dennennaalden. Roos rekte zich uit met haar armen boven haar hoofd en voelde meteen het kompasje in haar zak tegen haar heup tikken.
"Wat ruikt het hier lekker," zei ze, met haar neus in de lucht.
"Bomen," zei Ties weer, maar dit keer met een grijns.
Mama haalde de koelbox uit de achterbak en spreidde op de picknicktafel een kleedje uit, met daarop broodjes, een bakje druiven, een homp kaas die ze met een klein mesje in plakjes sneed, en de laatste krentenbolletjes van de bakkerij bij het laadstation. Papa schonk voor iedereen water in uit de grote fles die in de deur van de auto stond, lauw geworden door de rit maar nog steeds welkom na de warmte in de auto.
Noud filmde de picknicktafel van bovenaf, zijn arm zo hoog mogelijk gestrekt, en liet daarna de camera over de boomtoppen zwaaien, waar een specht ergens onzichtbaar tegen een stam tikte, een kort, ratelend geluid dat steeds even stopte en weer begon.
"Hoor je dat," zei Roos, haar hoofd schuin.
"Een specht," zei Papa. "Die hakt op zoek naar insecten onder de bast."
"Kunnen we hem zoeken," vroeg Ties, al met zijn boterham nog half in zijn hand.
Na het eten liepen ze een klein stukje het bos in, over een paadje van aangestampte aarde met hier en daar een wortel die dwars over het pad lag. Het geluid van de snelweg werd al snel gedempt door de bomen, tot het nog maar een vaag, ver gesuis was, als een zee die je niet kon zien. Ties struikelde bijna over een wortel, ving zichzelf op tegen een boomstam, en ontdekte daar een lange rij mieren die in een dunne stroom omhoog en omlaag liep, van de grond tot ergens hoog in de schors.
"Kijk," zei hij, gehurkt met zijn neus vlak bij de stam. "Die lopen precies in twee rijen. Eentje omhoog, eentje omlaag. Net een snelweg."
"Net als wij," zei Roos, en ging naast hem zitten om te kijken, met haar kin op haar knieën.
Noud hield de camera vlak bij de mierenrij, zo dichtbij dat het beeld wazig werd, en probeerde uit te leggen aan de kijkers hoe mieren geurtjes achterlieten om elkaar de weg te wijzen, iets wat hij nog van school had onthouden en nu met veel plezier navertelde alsof hij het net had uitgevonden. Ties vond intussen tussen het mos een handvol dennenappels, en stelde voor om een klein spelletje te doen: wie een dennenappel het dichtst bij een omgevallen tak kon gooien, mocht de rest van de dag kiezen welke muziek er in de auto ging.
De eerste worp van Ties belandde een meter naast de tak. Noud gooide zijn dennenappel met te veel kracht en die stuiterde ver door tussen de struiken, wat hem op gelach van zijn broer en zus kwam te staan. Roos, die als laatste mocht, gooide met een kleine boog en raakte de tak bijna precies, op een handbreedte na.
"Winnaar," riep ze, met haar armen omhoog, ook al vond niemand het nodig om daar tegenin te gaan.
Terwijl ze terugliepen naar de picknicktafel, voelde Roos het kompasje in haar zak ineens warmer worden, net iets warmer dan de rest van de stof om het heen. Ze bleef even staan en haalde het tevoorschijn, met het deksel dat ze voorzichtig openklapte. De naald zwenkte kort opzij, weg van het noorden, en gleed toen weer terug naar waar hij hoorde te staan.
"Wat is er," vroeg Mama, die net de laatste spullen van het kleedje verzamelde.
"Niks," zei Roos, en stopte het kompasje terug in haar zak, precies op het moment dat ze tussen de bomen door een klein, bruin dier zagen wegschieten, te snel om goed te zien wat het was, misschien een eekhoorn, misschien een konijn. Ties riep nog "Kijk!", maar tegen de tijd dat Noud de camera had opgetild, was het weg tussen de struiken.
"Zag je wat het was," vroeg Ties aan Roos.
"Nee," zei ze, al bleef ze nog even naar de plek kijken waar het beestje verdwenen was, met haar hand nog om het kompasje in haar zak.
Ze pakten de laatste spullen in, veegden de kruimels van de tafel voor de mieren en vogels, en liepen terug naar de auto over het pad dat inmiddels een stuk vertrouwder aanvoelde dan een half uur eerder. Vlak voor het instappen bekeek Papa de kaart op het scherm nog eens en wees naar de route die verderop de A3 zou verlaten voor de A9.
"Zo meteen rijden we langs Neurenberg," zei hij. "Niet erin, gewoon langs. Anders wordt de rit te lang."
"Jammer," zei Ties.
"Een andere keer misschien," zei Mama. "Vandaag moeten we door naar het meer."
Ze reden de parkeerplaats af en sloten weer aan op de A3, die nu geleidelijk breder werd, met meer rijstroken en drukker verkeer naarmate ze dichter bij Neurenberg kwamen. Het middaglicht viel schuin over de weg en maakte een waas boven het asfalt, waardoor de auto's verderop leken te trillen in de hitte. Na een tijdje verschenen aan de horizon de contouren van een stad, torens en gebouwen die door de waas heen wazig oprezen, met een enkele kraan die boven de rest uitstak.
"Is dat Neurenberg," vroeg Roos, met haar neus tegen het raam.
"Dat is het," zei Papa. "We rijden er straks vlak langs, over de ringweg."
De snelweg maakte een lange bocht om de stad heen, en voor een paar minuten reden ze zo dicht langs de rand dat ze flatgebouwen konden zien, en verderop iets dat op een oud kasteel op een heuvel leek, klein en ver, meer een vermoeden dan een duidelijk beeld. Noud filmde het door de zijruit, zijn camera schuin tegen het glas gedrukt om de weerspiegeling te verminderen.
"Kijkers, dit is Neurenberg. We stoppen hier niet, maar kijk toch even mee." Hij liet de camera een paar seconden op de skyline gericht, tot een vrachtwagen ernaast het hele beeld vulde en hij met een zucht de opname stopte. "Nou ja. Volgende keer beter shot."
"Volgens mij moet je gewoon minder praten en meer filmen," zei Ties.
"Volgens mij moet jij een keer zelf proberen te presenteren," zei Noud, en gaf hem de camera aan.
Ties hield het toestel wat onhandig voor zich, draaide het bijna verkeerd om zoals Noud dat de vorige dag had gedaan, en zei met een stem die hij duidelijk van zijn broer had afgekeken: "Kijkers, dit is Neurenberg. Volgens mij zijn we er al voorbij. Terug naar Noud." Hij gaf de camera terug met het gezicht van iemand die vond dat hij het prima had gedaan, en Roos gierde het uit op de achterbank.
Voorbij Neurenberg vertakte de snelweg zich, en Papa volgde de borden naar de A9, richting München, al zouden ze lang voor die stad afslaan naar Ingolstadt. De batterijmeter stond intussen op tweeëndertig procent, en na een kwartier zag Papa een laadstation aangegeven staan op het scherm, een stukje verderop bij een afslag.
"Nog één keer laden," zei hij, "en dan rijden we in één keer door naar de camping."
Het laadstation lag naast een tankstation met een klein restaurantje ernaast, acht palen op een rij onder een overkapping die schaduw gaf tegen de felle namiddagzon. Terwijl de kabel in de auto klikte, kocht Papa voor iedereen een ijsje bij het loketje, en ze gingen op een muurtje in de schaduw zitten, met het scherm van de auto zichtbaar door het raam waarop de minuten aftelden.
"Nog vijfentwintig minuten," zei Noud, die zijn ijsje bijna vergat op te eten door ernaar te filmen. "Dat is ongeveer een halve rit naar het zwembad in Tilburg."
"Dat is geen normale tijdseenheid," zei Ties.
"Voor mij wel," zei Noud, en likte snel zijn ijsje voor het kon smelten langs zijn vingers.
Roos zat er intussen stilletjes bij, met haar ijsje half opgegeten en het kompasje weer even in haar hand. Het voelde gewoon koel aan, zoals het hoorde, en ze stopte het terug in haar zak zonder er verder iets over te zeggen.
Toen de auto weer vol genoeg zat, reden ze de laatste anderhalf uur richting Ingolstadt. Het landschap langs de A9 was vlakker dan bij Würzburg, met brede akkers waar net geoogst graan in lange balen op het land lag, en af en toe een bosje dat in de verte als een groene vlek tussen de velden stond. Mama zette Baila la gasolina op voor het laatste stuk, en zelfs Papa tikte mee met zijn vingers op het stuur, wat de kinderen altijd aan het lachen maakte, omdat hij normaal beweerde niet te kunnen dansen, zelfs niet met zijn vingers.
"Nog twintig kilometer," zei Ties op een gegeven moment, die zijn neus weer tegen het raam had gedrukt om de kilometerbordjes te lezen.
"Hoe weet je dat zo snel," vroeg Roos.
"Rekenen," zei Ties. "Dat kan ik gewoon."
Even na vier uur zagen ze de eerste borden met Ingolstadt erop, en niet lang daarna sloeg Papa af van de A9, een weg op die kronkelde langs een paar loodsen en toen langzaam overging in een rustiger, groener gebied met bomen aan weerszijden. Tussen de takken door ving Roos een glimp op van water, blauwgrijs en glinsterend in de zon.
"Is dat het meer," riep ze.
"Dat zou het Auwaldsee kunnen zijn," zei Mama, die op haar telefoon de kaart erbij hield. "AZUR Camping ligt er vlak naast."
Ze reden een laatste bocht om, langs een slagboom met een bordje waarop AZUR Camping Ingolstadt stond, en meteen daarachter opende zich het zicht op een groot terrein met caravanplekken tussen de bomen, en aan de rand ervan het meer zelf, groter dan Roos had verwacht, met een zandstrandje aan de ene kant en riet aan de andere.
Het inchecken ging bij een balie waar een medewerkster met een koptelefoon om haar nek hun een plattegrond van de camping gaf en met haar pen de plek aanwees waar ze mochten staan, niet ver van het water. Ties griste de plattegrond bijna uit haar handen om hem te vergelijken met zijn eigen getekende versie.
"Kijk," zei hij triomfantelijk, terwijl hij met zijn vinger over beide papieren streek. "Het zwembad, nou ja, het meer, zit precies aan de kant met de minste bomen. Zei ik toch."
"Toeval," zei Noud.
"Kunde," zei Ties.
Papa manoeuvreerde de caravan met de nodige aanwijzingen van Mama achteruit op de toegewezen plek, tussen twee lage struiken die net genoeg schaduw gaven voor de tafel, en binnen tien minuten stond alles vast, de steunpoten neer, de kabel aangesloten op de stroomkast. De lucht rook er anders dan bij de Lahn, minder naar rivier en meer naar warm gras en een vleugje zonnebrandcrème van de mensen op de plekken ernaast.
"Wie gaat er zwemmen," vroeg Papa, terwijl hij de laatste steunpoot vastdraaide.
"Ik," riepen alle drie de kinderen tegelijk, en binnen een paar minuten stonden ze alweer in hun zwemkleding, handdoeken over hun schouders, met Roos die haar kompasje eerst nog even veilig in het buitenvakje van haar rugzak stopte, met het deksel dicht en de rits eroverheen.
Het pad naar het water liep over gemaaid gras, met hier en daar een paardenbloem die de maaimachine had gemist, en eindigde in een klein zandstrandje waar een paar andere kinderen al aan het spelen waren met een opblaasboot. Het water van het Auwaldsee was helder tot op een meter diep, met een zachte, modderige bodem die tussen de tenen door gleed zodra je erin stapte, en de temperatuur voelde eerst koud aan, dan snel gewoon.
Ties rende als eerste het water in, met grote stappen en veel spetterend water, tot hij tot zijn middel stond en zich met een gil liet vallen. Noud volgde met zijn camera nog aan zijn pols, om hem meteen daarna aan Mama te geven met de vraag of ze wilde filmen, en dook toen zelf ook het water in, iets voorzichtiger dan zijn broer.
Roos bleef nog even aan de rand staan, haar tenen net in het water, en voelde op dat moment door de stof van haar rugzak op het strand heen iets, al kon dat ook gewoon inbeelding zijn geweest. Ze keek er niet naar om, maar liep het water in, stap voor stap, tot het water om haar middel klotste en ze zich met een klein gilletje liet vallen, net zoals Ties.
"Kom erbij," riep ze naar Mama en Papa, die nog op het strand stonden met hun tenen in het zand.
Mama gaf de camera aan Papa en liep het water in met haar rok nog aan, tot ze het te nat vond worden en hem met een lach optilde tot boven haar knieën. Papa filmde een tijdje vanaf de kant, Noud die met Ties een wedstrijdje deed wie het langst zijn adem kon inhouden onder water, Roos die op haar rug dreef en naar de lucht keek waar een enkele wolk langzaam voorbijschoof.
"Twaalf seconden," riep Ties, terwijl hij hijgend bovenkwam.
"Dertien," zei Noud.
"Volgens mij tel jij vals."
"Ik tel gewoon beter dan jij."
Roos, die intussen was gaan staan, riep dat ze ook mee wilde doen, en na een korte discussie over de regels, hield ze uiteindelijk zelf de tel bij, met haar vinger die de seconden aftikte op het wateroppervlak, wat leidde tot een uitslag waarbij, toevallig genoeg, iedereen won.
Ze zwommen tot de zon lager kwam te staan en het water een goudige gloed kreeg, met kleine golfjes die tegen de oever klotsten van de andere zwemmers verderop. Toen ze eindelijk uit het water kwamen, huiverend en met natte haren die tegen hun gezicht plakten, wikkelde Mama iedereen in een handdoek en wreef ze extra hard over Ties' rug, die daarbij deed alsof hij bijna omviel van de kracht waarmee ze wreef.
Terug bij de caravan trokken ze droge kleren aan, en Papa stak het gasstelletje aan om worstjes te bakken, met een schaaltje aardappelsalade die Mama al bij de camping had gekocht bij het winkeltje aan de receptie. Ze aten aan de picknicktafel, met natte handdoeken die over het hekje van de caravan te drogen hingen en de geur van gebakken worst die zich vermengde met het gras en het water verderop.
"Wat vond je het leukste van vandaag," vroeg Papa aan Roos, terwijl hij haar bord bijvulde met nog een worstje.
"Het zwemmen," zei ze, zonder aarzelen. "En de mieren in het bos."
"En jij, Ties?"
"Dat ik gelijk had over het zwembad," zei hij, met zijn kin iets omhoog. "En het zwemmen ook wel."
"Ik dacht dat je het over de mieren zou hebben," zei Noud.
"Die ook," zei Ties. "Maar minder dan het zwembad."
Na het eten waste Papa af in de gootsteen van het sanitairgebouw terwijl Mama de kinderen hielp met hun pyjama's, en Noud zette zijn camera aan het stopcontact onder de luifel, met het kabeltje uit Limburg an der Lahn dat inmiddels al twee keer per dag zijn werk had gedaan. Het schermpje gaf een percentage van tweeënzestig aan, genoeg voor vannacht om rustig verder op te laden.
"Morgen weer verder filmen," zei hij, meer tegen zichzelf dan tegen iemand anders, en checkte de stekker nog een keer voor hij naar binnen ging.
Buiten, tussen de andere caravans door, klonk het geluid van een radio die zachtjes muziek speelde bij de buren, en verderop bij het meer riep iemand nog iets naar een hond die blafte. Roos kroop als laatste in haar slaapzak, met het kompasje op het kussentje naast haar hoofd, het deksel dicht. Ze legde haar vinger er nog even op, voelde dat het gewoon koel aanvoelde, zoals het hoorde te zijn na een dag in haar rugzak, en deed het licht uit.
Door het kleine raampje van de caravan was net het water van het Auwaldsee te zien, donker geworden in de avond, met hier en daar een lichtje van een andere caravan dat erin weerspiegelde. Roos keek er nog even naar, draaide zich toen op haar zij, en viel binnen een paar minuten in slaap, met het geluid van krekels die ergens tussen het gras van de camping hun avondconcert waren begonnen.