Zomer ’26
Hoofdstuk 4 van 10

Het hoogste kerkje en de Alpenzusjes

🎧 Liever luisteren? Jolanda leest voor

⬇ mp3

Er hing die ochtend al een geur van zonnebrandcrème boven de picknicktafel voordat iemand goed en wel wakker was, want Mama had de fles al opengedraaid en zette hem demonstratief midden op tafel neer, tussen de bordjes met brood. Papa hield zijn koffiekopje even stil bij zijn mond en keek op zijn horloge.

"We moeten zo langzamerhand," zei hij. "Het is tien minuten rijden naar Hopfgarten, en de gondel wacht niet op ons."

Op Camping Schlossberg Itter lag de ochtendnevel nog laag over het gras, zo laag dat de tent van de buren tot aan de rits in wit gehuld leek, en de vogels maakten er meer lawaai dan gewoonlijk, alsof ze ook wisten dat er een uitstapje op het programma stond. Roos zat op het trapje van de caravan met het metalen kistje op haar knieën en klapte het deksel open en dicht, open en dicht, tot Mama zei dat het scharniertje er nog eens af zou vallen als ze daarmee doorging.

"Ik controleer hem alleen," zei Roos. "Voor de zekerheid."

"Wat voor zekerheid heeft een kompas nodig," vroeg Ties, die met zijn mond vol muesli aan tafel zat en tegelijk iets opschreef in een klein notitieboekje met een gekreukte kaft.

"Dat hij het goed doet," zei Roos, alsof dat de meest logische zaak ter wereld was, en klikte het deksel voor de laatste keer dicht.

Ties schoof het boekje even naar Noud toe zodat die kon zien wat erin stond: een lijstje met hoogtes, netjes onder elkaar, met potloodstreepjes ertussen. Bovenaan stond, in blokletters, "BERGEN DIE WE GEZIEN HEBBEN", en daaronder al twee regels vanaf de vorige dagen.

"Vandaag komt er eentje bij," zei Ties. "Achttienhonderdnegenentwintig meter. Ik heb het al opgezocht op de folder bij de receptie."

"En als we een hut gaan vinden om in te slapen," zei Noud, die zijn actioncam al aan zijn borstriem had geklikt en het schermpje controleerde, "dan komt die er ook bij."

"Welke hut?"

"Weet ik niet. Maar Papa zei dat we straks ergens gaan lopen bij die andere bergen. Die daar." Noud wees vaag naar het zuiden, waar boven de nevel een grillige rij toppen zichtbaar werd, grijs en gekarteld tegen de ochtendlucht.

"Dan schrijf ik hem er nu alvast bij, met een vraagteken," zei Ties, en deed dat meteen, met de punt van zijn tong net iets uit zijn mondhoek.

Papa laadde de rugzak met water, een pak koekjes en de regenjassen die ze volgens hem altijd nodig hadden zodra ze boven de duizend meter kwamen, "want daarboven verandert het weer sneller dan hier beneden," zei hij, terwijl hij de rits dichttrok. Hij telde de flessen water nog een keer op zijn vingers, vier stuks, controleerde of de dop van elke fles goed vastzat door er even aan te draaien, en stopte er op het laatste moment ook nog een reep chocolade bij, "voor het geval iemand chagrijnig wordt van de hoogte," zei hij, wat Ties meteen deed opkijken van zijn boekje.

"Ik word nooit chagrijnig van hoogte," zei Ties.

"Jij wordt chagrijnig van honger," zei Noud. "Dat is iets anders."

"Dat is ook een soort hoogte," zei Ties, zonder dat hij zelf goed kon uitleggen wat hij daarmee bedoelde, en klapte zijn boekje dicht om het in zijn broekzak te proppen.

Mama controleerde nog een keer of iedereen zonnebrand op had, wreef een klodder extra op Roos' neus die daar niet blij mee keek, en hield vervolgens Noud tegen bij de deur van de caravan omdat ze een streep op zijn oor had gezien die er de dag ervoor niet had gezeten. Het bleek een afdruk van het riempje van de actioncam te zijn, na een nacht waarin hij kennelijk met het ding om zijn nek in slaap was gevallen.

"Sliep je daarmee?" vroeg Mama.

"Voor het geval er 's nachts iets gebeurde," zei Noud, alsof dat de normaalste verklaring ter wereld was.

"Er gebeurt 's nachts nooit iets," zei Ties.

"Er gebeurde wel iets met het kompasje," zei Roos vanaf het trapje, zonder op te kijken van het kistje.

Niemand had daar meteen een weerwoord op, en het gezin stapte in de Tesla, die na een nacht laden weer vol stond, honderd procent, klaar voor de rit naar Hopfgarten.

De weg liep eerst door het dorp Itter, langs huizen met balkons vol geraniums die in strakke rijen rood en roze naar beneden hingen, en daarna het dal in, met de gastenkaart van de camping los in het bakje bij de versnellingspook, "want daar krijgen we korting mee op de gondel," zei Papa. Uit de speakers klonk zachtjes Lichtje branden, niet hard, meer als achtergrondgeluid bij het landschap dat voorbijgleed, en niemand zong echt mee, maar Mama neuriede de melodie terwijl ze uit het raam keek naar de wei waar een paar koeien met bellen om hun nek stonden te grazen, hun bellen tikkend bij elke stap.

Bij het dalstation in Hopfgarten stond al een rij mensen te wachten, wandelstokken tegen de knie, een paar mountainbikes rechtop tegen een hek. Het gebouw van de kabelbaan rook naar staal en een beetje naar motorolie, en boven de kassa hing een groot bord met de hoogtes van dal- en bergstation, 1.829 meter bovenaan, in vette cijfers.

"Achttienhonderdnegenentwintig," las Ties hardop, tevreden, alsof het getal nu officieel was bevestigd. Hij streepte iets aan in zijn boekje.

De cabine schommelde licht toen ze instapten, acht mensen in totaal, met een fietser die zijn stuur tegen zijn borst hield omdat er verder geen ruimte was. De deuren sloten met een zachte zoem en de cabine trok op, eerst langzaam, toen met een vaart die vanzelf sneller leek te worden naarmate de kabels strakker kwamen te staan. Beneden werden de daken van het dorp kleiner, de kerktoren kromp tot iets ter grootte van een vingertopje, en de weg waarover ze net gereden hadden werd een dun grijs lint tussen de weilanden.

"Kijk, de camping," riep Ties, met zijn neus tegen het glas, en wees naar een cluster witte stippen die de tenten en caravans moesten zijn.

"En daar," zei Noud, die zijn camera al had aangezet en het schermpje tegen het raam hield om reflectie te voorkomen, "zie je bijna het zwembad."

"Zie je niks," zei Ties, die zijn hoofd schuin hield om net zo goed te kunnen kijken. "Dat is een dak."

"Ik zie er water bij."

"Dat is een blauw dak."

"Wie heeft er nou een blauw dak," zei Noud, maar liet het onderwerp rusten omdat de cabine op dat moment over een weiland gleed waar een stuk of zes koeien lagen te herkauwen in de schaduw van een schuurtje, hun bellen roerloos om hun nek.

"Die tel ik niet mee voor het spel," zei Ties er snel achteraan, voor Noud iets kon roepen. "Dit is geen wedstrijddag."

"Dat verzin je nu."

"Dat verzin ik niet. Vandaag gaat het om de berg."

Roos hield het kistje stevig vast op haar schoot, met beide handen eromheen, en voelde hoe de cabine bij een pyloon een lichte schok maakte, waardoor iedereen even zijn adem inhield en toen lachte om de eigen schrik. Het bos onder hen werd donkerder van kleur naarmate ze hoger kwamen, dennen die dicht op elkaar stonden, met hier en daar een kaal stuk waar een pistegeul doorheen liep, nu begroeid met gras in plaats van sneeuw. Buiten de ruit was de lucht helderder dan beneden, een blauw dat leek te zijn afgestoft.

"Mijn oren doen iets geks," zei Noud, en wreef met zijn wijsvinger in zijn oor.

"Slikken helpt," zei Papa. "Of geeuwen."

Noud geeuwde overdreven, met zijn mond wagenwijd open, wat Roos aan het giechelen bracht, en op dat moment voelde ze iets in haar handen. Het kistje was warm geworden, niet heet, maar duidelijk warmer dan de rest van haar rugzakje, alsof het net uit een la naast de kachel was gekomen. Ze klapte het deksel open. De naald, die de hele ochtend rustig naar het noorden had gestaan, zwenkte langzaam opzij, een klein stukje maar, en ging toen weer stilstaan, een beetje schuin van waar hij hoorde te wijzen.

"Hij doet het weer," zei ze zacht, meer tegen het kistje dan tegen iemand anders.

"Vast de trilling van de kabelbaan," zei Papa, zonder er echt naar te kijken, want hij hield zijn blik op het uitzicht gericht, dat met elke seconde groter werd.

Roos zei er verder niets over. Ze klapte het deksel dicht en keek naar buiten, waar de bergtoppen nu in een halve cirkel om hen heen begonnen te verschijnen, kalkwit hier, donkergrijs daar, met wolkenflarden die er als losse pluizen tegenaan hingen.

Bij het bergstation stapten ze uit in lucht die frisser rook dan beneden, met een vleugje hars van de dennen die nog net binnen bereik van de top groeiden. Het uitzicht opende zich meteen, in alle richtingen, alsof iemand een gordijn had weggetrokken. Beneden lag het dal met zijn dorpen als speelgoedhuisjes, en verder weg, golf na golf, rezen de bergen op tot ze in de verte vervaagden tot een blauwig waas.

"Daar," zei Papa, en wees naar het zuidwesten, naar een massief met grillige, grauwe pieken die er scherper uitzagen dan de rest, alsof iemand ze met een schaar had bijgeknipt. "Dat is de Wilder Kaiser."

"Dat hoge puntje middenin," zei Mama, "heet de Ellmauer Halt. Tweeduizend driehonderdvierenveertig meter."

Ties sloeg meteen zijn boekje open en schreef het getal op, onderstreepte het twee keer. "Hoger dan hier," zei hij.

"Veel hoger," zei Papa. "En daar gaan we straks lopen. Een paar dagen verderop, met de rugzakken in, en we slapen dan in een hut hoog in de bergen."

"Helemaal naar boven?" vroeg Noud, die zijn camera al op de bergketen had gericht en langzaam meepande met het silhouet.

"Dat zien we dan wel," zei Papa, met een glimlach die meer verklapte dan zijn woorden, en niemand drong verder aan, want de manier waarop hij het zei beloofde al genoeg.

Het kerkje stond op het hoogste puntje van de top, een klein wit gebouwtje met een spits torentje en een deur die op een kier stond. Het Salvenkirchlein, stond er op een bordje ernaast, met daaronder in kleine letters dat het het hoogst gelegen bedevaartskerkje van Oostenrijk was. Binnen was het koel en stil, met houten banken die amper plaats boden aan tien mensen, een altaartje met verse bloemen erop, en een muur vol kleine metalen plaatjes, hartjes en beeltenissen van armen en benen, die pelgrims er ooit hadden opgehangen als dank.

"Waarom hangen daar plaatjes van benen," fluisterde Ties, die instinctief zachter praatte zodra hij de deur door was.

"Mensen hingen die op als ze weer beter waren," fluisterde Mama terug. "Een soort dankjewel, in metaal."

Roos liep naar het altaartje, hield het kistje even tegen haar borst en keek naar de kaarsjes die er brandden, kleine vlammetjes die nauwelijks bewogen in de stilstaande lucht binnen. Ze zei niets, maar haar lippen bewogen even, alsof ze zelf ook iets bedacht om te wensen. Bij de deur lag een dik boek open op een lessenaar, met bladzijden vol handschriften in allerlei talen, en Papa bladerde er even doorheen terwijl hij zachtjes de plaatsnamen las die mensen erbij hadden geschreven, Wenen, München, een keer zelfs Enschede.

"Mogen wij ook iets schrijven?" vroeg Roos.

"Volgens mij mag dat," zei Mama, en gaf haar de pen die aan een touwtje aan de lessenaar vastzat.

Roos boog zich over de bladzijde, met haar tong tussen haar lippen van concentratie, en schreef in kleine, ietwat schuine letters haar naam en daaronder Tilburg, met een sterretje erachter dat ze er zelf bij had bedacht. Ties keek over haar schouder mee en zette er zonder te vragen zijn eigen naam onder, iets te groot voor de regel die er nog over was.

Buiten, op het kleine kerkhofje rond het gebouw, stond een ijzeren hek met daarachter niets dan lucht en bergen, alsof het kerkje op de rand van de wereld stond gebouwd. Het gras binnen het hek was kort en stug, met hier en daar een paarse bloem die zich tussen de stenen door had gewerkt, en de wind streek er kouder overheen dan beneden bij de camping, zodat Mama de rits van haar jasje dichttrok tot aan haar kin.

Het draaiende terras lag een stukje verderop, een rond gebouw met glazen wanden waarvan het buitenste deel langzaam ronddraaide, zo langzaam dat je het pas merkte als je een tijdje naar hetzelfde punt buiten had zitten kijken en dat punt ineens ergens anders stond. Ze kregen een tafel tegen het glas, met uitzicht recht op de Wilder Kaiser, en terwijl ze zaten te wachten op de kaart, schoof het uitzicht millimeter voor millimeter opzij, tot de bergketen langzaam plaatsmaakte voor een ander dal, met daarin een meertje dat in de zon lag te glinsteren als een stukje folie.

"Het draait echt," zei Ties, die zijn glas water op tafel had gezet en om de tien seconden checkte of het bewoog ten opzichte van de rand van het raam.

"Voel je het ook?" vroeg Roos.

"Nee. Alleen zien," zei Ties, teleurgesteld, alsof hij had gehoopt op een soort draaimolengevoel.

"Wat is Kaiserschmarrn precies," vroeg Ties, die de kaart drie keer had doorgelezen alsof er ergens een verborgen woord in stond dat alles zou verklaren.

"Een pannenkoek die stukgescheurd is," zei Papa. "Met poedersuiker en appelmoes erbij."

"Waarom scheuren ze hem stuk?"

"Zodat hij niet meer op een gewone pannenkoek lijkt," zei Mama. "Dan voelt het als iets anders, terwijl het bijna hetzelfde is."

"Dat is een beetje bedrog," zei Ties, maar wel het soort bedrog waar hij duidelijk voor te porren was, want hij was de eerste die met zijn vinger op de foto op de kaart tikte om te laten zien dat dit besteld moest worden.

Ze bestelden Kaiserschmarrn, voor het hele gezin om te delen, en toen het kwam, op een groot bord met een dot appelmoes ernaast, steeg er een zoete geur van gekarameliseerde suiker vanaf, met stukjes pannenkoek die goudbruin waren gebakken en flink met poedersuiker waren bestoven. Noud filmde het bord van bovenaf, zijn camera vlak boven de rand, en zei er met zijn tv-stem bij dat dit "de beste lunch van de hele vakantie tot nu toe" was, wat Ties meteen tegensprak omdat het broodje van bij het laadstation in Hilden er volgens hem nog altijd bovenuit stak.

"Dat was een broodje met kaas," zei Noud.

"Een heel goed broodje met kaas," zei Ties, en prikte een stuk pannenkoek van het bord dat groter was dan wat de rest tot dan toe had genomen.

Ze aten met hun vorken door elkaar, Papa nam de grootste stukken zonder dat iemand het hem kwalijk nam, en Mama at het meeste van de appelmoes op voordat de kinderen daar erg in hadden. Buiten schoof het uitzicht intussen weer terug naar de Wilder Kaiser, en precies op dat moment kwam er een ober naar hun tafel, een oude man met een wit schort voor, een snor die grijzer was dan zijn haar en handen die eruitzagen alsof ze al duizenden borden hadden gedragen.

"Schmeckt's?" vroeg hij, en toen hij zag dat de kinderen hem niet meteen begrepen, herhaalde hij het in gebroken Nederlands, met een zwaar accent maar duidelijk geoefend: "Smaakt het?"

"Heerlijk," zei Mama. "U spreekt Nederlands?"

"Een beetje," zei de ober, en zijn ogen kregen een rimpel van plezier. "Veel Nederlandse gasten hier, veertig jaar lang. Je pikt wat op." Hij bleef nog even staan, met zijn blad onder zijn arm, en keek naar buiten, naar de Wilder Kaiser die weer voorbijschoof.

"Jullie gaan daar lopen?" vroeg hij, toen hij zag hoe Noud zijn camera op de bergketen richtte.

"Volgende week," zei Papa. "We lopen naar een berghut."

De ober knikte langzaam, alsof dat nieuws hem iets herinnerde. Hij zette zijn blad even op de rand van een leeg tafeltje naast hen en wreef met zijn duim over zijn kin.

"Dan moeten jullie oppassen voor de mist daarboven," zei hij. "Die komt soms zomaar, binnen een paar minuten, en dan zie je je eigen voeten niet meer." Hij zweeg even, en toen hij verderging, klonk zijn stem anders, langzamer, alsof hij een verhaal begon dat hij al honderd keer eerder had verteld en toch elke keer opnieuw met zorg aanpakte.

"Mijn grootvader vertelde altijd over de Alpenzusjes," zei hij. "Ken je die niet?"

Ties schudde zijn hoofd, met zijn vork nog in de lucht. Roos ging rechtop zitten, haar handen om het kistje.

"Drie zussen," zei de ober. "Heel lang geleden al, misschien wel eeuwen. Ze waren bergwachters, zeggen de mensen hier, van voor er ooit een reddingsdienst bestond. Ze kenden elk pad, elke rots, elke plek waar het ijs 's ochtends nog niet gesmolten was. Als er iemand verdwaalde in de mist, hoog boven de boomgrens, dan hoorde je soms een stem roepen, of zag je heel even een gedaante tussen de wolken staan, met de arm uitgestrekt, wijzend naar de goede kant."

Hij schoof een stoel van het lege tafeltje naast hen bij, ging er half op zitten met zijn blad nog steeds onder zijn arm, en vertelde verder terwijl hij af en toe naar buiten wees, naar de bergketen die op dat moment net weer in beeld schoof.

"Er zijn oude verhalen over wie ze precies waren," zei hij. "De oudste zus zou het meest gezien hebben, altijd de eerste die opdook als iemand echt in de problemen zat, hoog waar de rotsen glad worden. De middelste hoor je eerder dan je haar ziet, zeggen sommigen, een lage roep die over een kloof heen klinkt en die je bijna niet van de wind kunt onderscheiden. En de jongste, dat is de zus die verschijnt bij kinderen die alleen zijn geraakt van hun ouders. Zo vertelde mijn grootvader het, en zijn grootmoeder had het weer van haar vader gehoord, dus reken maar uit hoe lang dat verhaal al meegaat."

"En hebben ze namen?" vroeg Roos, met haar ogen groot.

"Namen die niemand meer zeker weet," zei de ober, en er verscheen iets van spijt in zijn stem, alsof hij dat zelf ook jammer vond. "In sommige dorpen noemen ze ze anders dan in andere. Mijn grootvader noemde ze gewoon die Schwestern, de zusjes, en meer had hij er niet voor nodig."

"Waarom komen ze dan niet gewoon naar beneden, naar het dorp," zei Ties, die zijn armen over elkaar had geslagen zoals hij altijd deed als hij een zaak grondig wilde bekijken. "Dan konden we ze gewoon vragen of het klopt."

"Misschien is dat niet hoe het werkt," zei de ober. "Sommige dingen laten zich alleen zien op de plek waar ze horen. Beneden in het dorp, tussen de huizen, is er niemand die verdwaalt. Daar is niks voor ze te doen." Hij liet zijn blik even over de tafel gaan, over de kruimels poedersuiker die op het tafelkleed lagen, en glimlachte er even bij, alsof de gedachte hem zelf ook amuseerde. "Een bergwachter die in de supermarkt verschijnt, dat zou er raar uitzien."

Ties moest daar ondanks zichzelf even om grinniken, maar herstelde zich meteen. "Toch wil ik bewijs," zei hij. "Een foto, of een schoenafdruk in de sneeuw die niet van een gewoon mens is."

"Dat is een heel verstandige wens," zei de ober, "en ik heb in veertig jaar nog niemand ontmoet die het kon leveren. Ook mijn grootvader niet. Hij had alleen zijn verhaal, en de plek waar het gebeurde, en het feit dat hij precies op tijd weer op het pad stond."

"Wijzend?" herhaalde Roos, met haar duim al op het deksel van haar kistje.

"Wijzend," zei de ober. "En dan, als je nog eens keek, was er niemand meer. Alleen mist, of een wolk die net voorbij dreef." Hij pakte zijn blad weer op, maar bleef nog staan, alsof het verhaal nog niet klaar was. "Mijn grootvader zwoer dat hij ze zelf gezien had, op een dag dat hij als jongen verdwaalde bij de Hohe Salve, precies hier, aan de andere kant van de top. Hij zei dat er ineens drie gedaantes in de mist stonden, hoog op een rand, alsof ze daar altijd al hadden gestaan. En toen de mist optrok, waren ze weg, en stond hij ineens weer op het pad naar huis."

"Bestaan ze echt?" vroeg Ties, die zijn vork nu op zijn bord had gelegd. "Heeft iemand er een foto van? Of een voetafdruk, iets?"

De ober lachte, een korte lach door zijn neus, niet spottend maar warm. "Een foto van de Alpenzusjes," zei hij. "Nee. Dat zou ook gek zijn. Ze laten zich niet lang genoeg zien voor een foto. Dat is juist het punt." Hij haalde zijn schouders op, alsof hij zelf ook niet meer wist wat hij ervan moest denken na al die jaren. "Misschien is het een verhaal dat mensen vertellen omdat de bergen soms griezelig kunnen zijn, en een verhaal maakt het dragelijker. Misschien niet."

"Ik geloof het," zei Roos, zonder enige aarzeling, en drukte het kistje tegen haar borst. "Drie zussen die op je passen. Dat is een mooi verhaal om te geloven."

"En als je ze ziet," zei Noud, die zijn camera nu recht op de ober had gericht, "dan film ik ze. Voor mijn vlog."

De ober keek in het lensje en glimlachte er breed naar, met de gerimpelde huid rond zijn ogen die dieper plooide. "Als je ze ziet," zei hij, "heb je waarschijnlijk geen tijd om te filmen. Ze zijn er, en dan zijn ze weer weg. Zo gaat dat met dat soort dingen." Hij tikte met zijn wijsvinger tegen de rand van zijn blad, alsof hij daarmee een punt zette achter het verhaal, en liep naar de volgende tafel, waar een ander gezin net was gaan zitten.

Roos was een tijdje stil, met het kistje nu open op haar schoot, de naald netjes naar het noorden wijzend, geen zweempje van beweging. Ze streek met haar vinger over het gedeukte deksel en keek naar buiten, naar de Wilder Kaiser die inmiddels bijna helemaal uit beeld was gedraaid, vervangen door een ander uitzicht met verderop een glinsterend meer.

"Denk je dat het kompasje ze ook kan vinden," vroeg ze, meer aan zichzelf dan aan iemand anders.

"Het kompasje wijst naar het noorden," zei Papa, met de stem van iemand die het al vaker had gezegd en het toch weer moest zeggen. "Meer niet."

"Meestal," zei Mama zachtjes, met een half lachje, en at haar laatste hapje appelmoes op zonder verder iets toe te voegen.

Ties had zijn boekje weer gepakt en schreef er iets nieuws in, onder de rij met hoogtes: "ALPENZUSJES - BEWIJS NODIG." Hij bekeek het zinnetje even kritisch, tikte met zijn pen tegen zijn lip, en voegde er dan met kleinere letters aan toe: "misschien."

Na de lunch liepen ze nog een rondje over het plateau bij de top, waar een paar bankjes stonden met een tekstbordje over de omliggende toppen, elk met naam en hoogte in het metaal gegraveerd. Noud filmde er een lang shot, langzaam pannend van links naar rechts, met zijn eigen stem die er zachtjes bij vertelde wat ze zagen, en op het einde zoomde hij nog even in op de Wilder Kaiser, "want daar gaan we volgende week naartoe," zei hij tegen de camera, "en dan zien jullie het van dichtbij."

De middag verstreek langzaam, met wolken die af en toe voorbij dreven, hun schaduwen die als grote grijze vlekken over de hellingen schoven en dan weer verdwenen. Tegen een uur of zes besloten ze te blijven voor de eerste kleuren van de avond, op een bankje bij de rand van het plateau, met truien aan tegen de kou die op deze hoogte sneller kwam dan beneden in het dal. De zon zakte achter een bergrug in het westen en kleurde de lucht daarboven oranje, dan roze, met de pieken van de Wilder Kaiser die er donker en scherp tegenaf staken, als uitgeknipt karton tegen een gloeiend vel papier.

"Mooi," zei Mama, zonder verder iets, en legde haar hoofd even tegen Papa's schouder.

Roos zat tussen haar broers in, met het kistje weer dicht in haar handen, en keek naar de plek waar de nevel al begon te hangen in de dalen beneden hen, grijswit en laag, als een deken die over de bergen werd uitgespreid voor de nacht. Ze dacht aan de drie zusjes, ergens daarbuiten misschien, of misschien nergens, en vond het geen probleem om het niet te weten.

Toen de laatste kabelbaan van de dag hen weer naar beneden bracht, was het buiten al bijna donker, met hier en daar een lichtje dat aanging in het dal, en de cabine gleed rustig langs dezelfde kabels omlaag waarlangs ze 's ochtends omhoog waren gegaan. Ties telde de pylonen hardop terwijl ze voorbijkwamen, Noud filmde de lichtjes van het dorp die langzaam dichterbij kwamen, en Roos hield het kistje stil op haar schoot, de naald recht naar het noorden, geen zweem van beweging, tot ze bij het dalstation in Hopfgarten uitstapten in de koele avondlucht. Papa reed hen de tien minuten terug naar Itter, moe en voldaan in de auto, met het verhaal van de ober nog een tijdje nazinderend in de stilte tussen hen.

↑ Overzicht ← Hoofdstuk 3 Hoofdstuk 5 →
⬇ Het hele boek als Word-document
Heenreis Oostenrijk Italië Terugreis Streken Voorleesverhaal Live Woordjes Praktisch Links